Site-archief
Research Highlights
Ha Marcel, ik heb weer een leuke tip voor je đ
In het nieuwste nummer van InformatieProfessional las ik een bijdrage van oud-collega Leen Liefsoens over Research Highlights. Met dank aan haar maak ik nu gebruik van haar review van deze app.
In je promotietraject ben je nu bezig met je literatuuronderzoek, maar ook als deze is afgerond wil je natuurlijk op de hoogte blijven van nieuwe publicatie op je vakgebied. Dat kan nu ook met behulp van deze uitgeversonafhankelijke app van Elsevier die gebruik maakt van de citatiedatabase Scopus. Scopus is een wereldwijd interdisciplinair onderzoeksdatabank met samenvattingen en citaten van meer dan 5.000 internationale uitgevers, maar niet gratis. Met Rearch Hightlights heb je wel toegang tot deze meer dan 20.000 peer-reviewed tijdschriften van verschillende uitgevers. Ondanks dat je niet automatisch toegang hebt tot de full-text, ontvang je wel attenderingen en krijg je een mooi op maat en up-to-date overzicht van publicaties.
Je installeert de app en registreer je. Daarna kan je aangeven welke keywords, journals en authors je wilt volgen en welke boolean operators je hierbij wilt gebruiken. In je overzicht krijg je samenvattingen die je kunt mailen of kunt delen via de bekende sociale netwerken. Afhankelijk van de licentie en waar je het artikel opent (binnen de muren van Zuyd of ingelogd via DiZ) krijg je full-text toegang tot het artikel.
Mooi toch? Ga je ’t uitproberen?
Ben benieuwd wat je er van vindt.
Judith
Leren en doceren met technologie #OU_OW
Heyy Marcel,
Je hebt wellicht gisteren mijn tweets met #OU_OW voorbij zien komen đ Ik was bij de 1e conferentie van het Welten-instituut in het Evoluon. Daar waar ik zo’n 40-45 jaar geleden als jong meisje door de wondere wereld van Chriet Titulaer liep, is tegenwoordig een prachtig congrescentrum.
Samenwerking tussen onderwijspraktijk en onderwijsonderzoek rondom het thema leren en doceren met technologie was het doel. Er was een middagprogramma met 2 workshopsrondes waarin onderwijsonderzoek gepresenteerd werd en getoetst werd aan de praktijk. Het ochtendprogramma startte met een toespraak van Anja Oskamp, de rector van de OU. Na het schetsen van de ontstaansgeschiedenis van het Welten-instituut, werd het een promopraatje voor de OU waarin vooral het verschil tussen de Open Universiteit en andere universiteiten werd benadrukt (ja, ze hebben bestaansrecht) en de rector was erg trots op het Keuzegids-label ‘de beste universiteit van Nederland’.
Vervolgens kwam Joseph Kessels ‘on stage’. Zijn keynote “Partnerschap in onderwijsonderzoek” was boeiend en een krachtig pleidooi voor meer samenwerking tussen docenten en onderwijsonderzoekers: samen enthousiast uitdagend onderzoeken. Er wordt veel mooi onderzoek verricht waar we in de praktijk (evidence based) meer van moeten profiteren. Zoals het onderzoek van Freeman (2014) waarin werd aangetoond dat aktief leren de slagingskans met 15% verhoogt. Ook Hattie werd ten tonele gevoerd đ Want volgens zijn metastudie werkt:
- zelfsturing van de verwachtingen van de student
- samenwerkend en verdiepend leren
- probleemgestuurde en meta-cognitieve strategieën
- veelvuldige terugkoppeling
- formatieve evaluatie
Ook in het zgn Pearson onderzoek van Siraj & Taggart (2014) naar effectieve leerstrategieën in het basisonderwijs worden samenwerkend en gepersonaliseerd leren, het leggen van verbindingen, evaluatieve feedback en reflectie en leerklimaat (sfeer!) benoemd.
Technologie kan dit ondersteunen. Daarom besprak Joseph Kessels de belangrijke trends en uitdagingen uit het Horizon Report. Waarover ik (voor mij belangrijkste punten đ ) de onderstaande tweets verstuurde:
Sociaal leren wordt pas iets als de docent de sociale media tools omarmt @JosephWMarie zie ook trends HorizonReport2014 #OU_OW
â Judith van Hooijdonk (@jujuutje) November 7, 2014
.@JosephWMarie We zijn niet goed in staat om verbindingen tussen formeel en informeel leren te leggen #OU_OW
â Judith van Hooijdonk (@jujuutje) 7 november 2014
Conclusie is dat docentprofessionalisering erg belangrijk is, als je kijkt naar de trends uit het Horizon Report.
Vervolgens introduceerde Kessels de 3 onderzoekslijnen van het Welten-instituut:
– Technology Enhanced Learning Innovations (TELI) waarover Markus Specht meer vertelde. Leren met technologie verandert het SoLoMo – leren: So(ciaal), Lo(kaal), Mo(biel)
– Fostering Effective Efficient and Enjoyabel Learning (FEEEL) gaat over het bevorderen van effectief (meer), efficiĂ«nt (in minder tijd) en aangenaam leren. Paul Kirschner (via video) lichtte toe dat je bij onderwijsinnovatie één van de 3 aspecten moeten bereiken. Als je ze alle 3 kan bereiken mag je heilig verklaard worden :). Vervolgens kwam hij met zijn stokpaardje: de broodjes aap verhalen. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor: digital natives, homo zappiens, leerstijlen en de learning pyramid. Ik hoor ze toch nog regelmatig, ook op de MLI.
– Teaching and teacher professionalization. Rob Martens benoemde dat de WRR stelde dat het onderwijs niet innovatief genoeg is, terwijl de samenleving doordrenkt is van technologie, loopt het onderwijs hierbij achter. De docent is cruciaal voor onderwijsinnovatie. Docenten leren niet alleen door cursussen, maar juist veel van elkaar. Rob Martens benoemde Heyy.eu, een (virtuele) omgeving waar leervragen van de professional centraal staat. Heyy stimuleert (toevallige) ontmoetingen voor de ontwikkeling van professionals. Een concept waar ik me in het kader van mijn MLI-onderzoek nog eens wil verdiepen. [Heyy heeft ook te maken met Agora, de persoonlijke leerroute binnen SOML, waar Niekee mee gestart is].
Ik stond bij één van de expertsessies met Arnoud Evers ingepland. Uiteindelijk zijn we 5 studenten en 3 onderzoekers samen gaan zitten voor onze vraagverhelderingsessie.
Dat was een goede sessie met oa @profrobmartens #vraagverheldering #onderzoek #mli ‘ui afpellen, tranen in je ogen’ đ #OU_OW
â Judith van Hooijdonk (@jujuutje) 7 november 2014
Deze input moet ik maar eens snel gaan verwerken in mijn 3e poging van het onderzoeksvoorstel.
Ik heb ook nog een workshopsessie van Susan McKenney gevolgd. Zij heeft een raamwerk gemaakt voor het ontwerpen van een ICT-rijke leermiddelen en activiteiten. Deze input kan ik weer goed gebruiken bij het begeleiden van de docenten ergotherapie tijdens hun curriculumherzieningsproces. Op mijn blog Joule4Jou staat hierover meer informatie.
Al met al wat het een interessante dag (m.u.v. de afsluitende discussie. De ‘learned lessons’ tijdens deze ‘opbrengsten van de dag’-sessie was leuk geprobeerd, maar leverde mij weinig op. Zo iets werkt niet echt in zo’n auditorium, vind ik) met leuke ontmoetingen (weer wat tweeps IRL ontmoet), goed verzorgde catering, prachtige locatie. Ellen Rusman vroeg mij of ik een volgende keer weer zou komen. Tsja ….hmmm….weet ik nog niet. Over leren en doceren met technologie heb ik niet veel nieuws gehoord. De ontmoeting tussen studenten (voornamelijk OU-onderwijswetenschappen) en de onderzoekers van het Welten-instituut was mooie aanzet om theorie en praktijk bij elkaar te brengen. Vanuit mijn studentperspectief was dit waardevol. Wellicht dat als de conferentie de volgende keer ook het perspectief vanuit de praktijk kan worden opgezet, waar onderzoekers dan weer van kunnen leren. Dan ben je volgens mij echt samen aan het leren en aan het verbinden :).
Zie ook de portal van de OU met het overzicht van alle workshops en bijbehorende achtergrondinformatie van betreffende onderzoek. Het onderdeel ‘opnames & presentaties’ is nog niet ingevuld, maar dat zal vast binnenkort gebeuren. Wilfred Rubens heeft uiteraard inmiddels ook al een blogpost hieraan gewijd.
Judith
Lerend vernieuwend onderzoeken #MLI
Hallo Marcel,
Vorige week ben ik voor mijn studie begonnen met het 3e leerarrangement: LA3: initiĂ«ren en begeleiden van onderwijsvernieuwingen. Een leuke module lijkt me zo đ en het ligt in de lijn met waar ik als I-adviseur mee bezig ben. Afgelopen weekend heb ik mijn eerste studie-opdrachten uitgevoerd en heb ik hiervoor mijn JOULE4JOU blog weer geactiveerd.
Op de literatuurlijst stond de oratie van Jaap Boonstra ‘Lopen over water’. Over de dynamiek van organiseren, vernieuwen en leren heb ik op JOULE4JOU geblogd.
Boonstra eindigt zijn oratie met zijn visie op onderzoek in onze dynamische werkelijkheid. Hij onderscheidt het traditioneel academisch onderzoek dat volgens hem de relaties tussen onderzoeker en het empirisch object ontkent. Boonstra is geen voorstander van deze afstandelijke en beschouwende manier van onderzoeken. Ook het het toegepast onderzoek vindt hij ongeschikt om onderzoek te doen naar dynamische sociale systemen. Zijn voorkeur gaat naar reflectief handelingsonderzoek dat gericht is op actie, reflectie en kennis genereren. De relatie tussen onderzoekers en onderzochten is hierbij gebaseerd op gelijkwaardigheid, gezamenlijke betrokkenheid en gedeelde verantwoordelijkheid. Een beetje te vergelijken met actieonderzoek.
Het zette mij weer tot denken met betrekking tot mijn eigen onderzoek. Deze manier van onderzoek past mij beter, maar ik heb al eerder geschreven dat ik mijn rol van onderzoeker dan zo minitieus moet beschrijven, dat me dat in dit type onderzoek tegenstaat. Dus blijft mijn praktijkgericht onderzoek beschrijvend van aard. Net als vele andere hbo-onderzoeken, zo vernam ik via Daan Andriessen. Ik was niet bij zijn presentatie bij Zuyd maar heb inmiddels wel zijn Openbare les gelezen. Actieonderzoek, schrijft Andriessen, heeft een sterke oriĂ«ntatie op het verbeteren van de praktijk (die ‘real innovational spirit warrior‘ weet je nog?). Een vragenlijst gecombineerd met statistische analyse is sterker gericht op kennisontwikkeling (wat dit ‘nieuwsgierig aagje‘ nu doet). Deze onderzoeksmethoden verschillen dus in het willen weten en willen verbeteren đ . Andriessen onderscheidt 2 rollen in praktijkgericht onderzoek: de onderzoeker die onderzoekt en analyseert enerzijds maar anderzijds is de onderzoeker ook vaaak degene die in een specifieke situatie adviseert en intervenieert. Lastig, erkent ook Andriessen omdat je in die ene rol objectief en onafhankelijk moet blijven.
Ook Andriessen refereert net als Boonstra naar de Reflective Practioner van Schön. Methodische grondigheid is namelijk niet altijd goed verenigbaar met praktische relevantie. Volgens Andriessen kan blijken dat:
- data niet beschikbaar of de respondenten niet benaderbaar zijn
- omstandigheden niet controleerbaar zijn;
- dataverzamelings- of analysemethoden duur zijn;
- er altijd te weinig tijd is, want de opdrachtgever wil het snel weten;
- de gegevens die wetenschappelijke methoden opleveren niet bruikbaar blijken te zijn in de praktijk;
- het onderzoek zelf de praktijk blijkt te veranderen
Er bestaat een grote diversiteit aan opvattingen over de juiste eisen aan methodologisch grondigheid in praktijkgerichte onderzoek. Deze hangen onder andere samen met de blik op de wereld van de onderzoeker. Er is niet slechts één manier om goed praktijkgericht onderzoek te doen, er zijn er vele. Genoeg werk voor lector Daan Andriessen, want hij heeft in zijn Openbare Les een grote diversiteit aan praktijkgericht onderzoek geschetst.
Als minimumniveau van onderzoekend vermogen voor de master-student noemt Andriessen trouwens:
De student laat zien dat hij kan reflecteren op de relevantie van zijn onderzoek voor andere situaties dan die zijn onderzocht. Het zal niet altijd mogelijk zijn om een concrete bijdrage te leveren aan de beroepspraktijk die in meerdere gevallen toepasbaar is, maar een reflectie daarop is wel altijd mogelijk. Tevens dient de grondigheid diepgaander te zijn dan bij onderzoek op bachelorniveau.
Over een paar weken heb ik weer een focusgroep om mee te denken over een verbeterplan van de onderzoekslijn van de MLI. Nu nog het verbeterplan van mijn eigen onderzoek đ
J.
Onderzoek. “En ik zeg open moet het zijn!” #MLI
Ha Marcel,
Vandaag heb jij weer wat stappen gezet richting realiseren van jouw droomonderzoek: Collaborative Alternate Reality Gaming in Patient Care. Op jouw eigen manier heb jij de jury proberen te enthousiasmeren voor jouw promotieonderzoek.
Ook ik ben een beetje met onderzoek bezig đ Voor mijn masterstudie heb ik de afgelopen 4 dagen uren op mijn studeerkamertje gewerkt aan mijn onderzoeksvoorstel. Gisteren heb ik hem aan mijn beoordelaar opgestuurd voor feedback.
We zijn allebei nieuw in de onderzoekswereld en ik (zal verder voor mezelf spreken đ ) ben toch redelijk verbaasd over de starheid van dit wereldje. Alles moet volgens vaste regeltjes. De wijze waarop ik het verslag moet vormgeven, het aantal woorden, de manier van dataverzamelen, transcriberen van interviews. Pfff … en dan hebben we het nog niet over de APA …
Op Twitter zag ik een tweet voorbij komen met een blogbericht en de uitdagende titel: In 5 stappen naar Open Science – niet voor mietjes. Open Science wordt hier gedefinieerd als “het zo vroeg mogelijk delen van wetenschappelijke kennis, resultaten en data”. Kijk daar kan ik wat mee đ
Wat zijn dan die 5 stappen?
- Connect
- Betrek niet-wetenschappers
- Deel alles wat je hebt
- Laat je fouten zien
- Droom groter
Door samenwerking met wetenschappers en niet-wetenschappers, je data open te delen waardoor innovatie gestimuleerd wordt (power of the crowd), verder te kijken dan alleen je eigen onderzoeksgebiedje raken mensen verbonden en enthousiast over je onderzoek.
Op dit grensvlak waar kennis wordt gedeeld, gebeuren bijzondere dingen.
En dan hebben ze in dit blog van Studio Lakmoes over het échte onderzoek. Ik ben maar een beetje aan het rommelen in de marge. Maar hoop wel door mijn onderzoek (hoe klein dan ook) over open online kennisdelen iets van beweging binnen Zuyd te bewerkstelligen. Ik ben er van overtuigd dat door de technologische ontwikkelingen en vooral door social media de samenleving, het onderwijs en uiteindelijk ook het onderzoek veranderen gaat / aan het veranderen is.
En net zoals Thé Lau, hier voor de eerste en laatste keer, eergisteren op Pinkpop, zeg ik Open moet het zijn!
Of is dit nu de ‘blinde vlek’ waarvoor ik bij mijn onderzoek moet oppassen? đ
Judith
Interviewen met de Post-It methode #mli

CC-BY-NC-ND Peter Guthrie
Ha Marcel,
Je weet dat ik momenteel even afstand probeer te nemen van het werk zodat ik de komende week kan concentreren op mijn onderzoek voor mijn masterstudie. Het onderwerp mijn onderzoek draait om (hoe kan het ook anders) online kennisdelen. Het onderzoek wordt een kwalitatief onderzoek. Ik ben nog aan het bedenken of het het actieonderzoek of toch een beschrijvend onderzoek wordt. In ieder geval wordt het geen grootschalige enquĂȘte maar een onderzoek mbv interviews. Dat had ik eigenlijk al op basis van het college van Gerben Moerman besloten. Het enige waardoor ik een beetje terughoudend ben, is dat ik minstens 5 interviews helemaal moet transcriberen. Dus alles woordje voor woordje uittypen (de euhs en ahs hoeven niet đ ) En 1 uur interview kost 8 uur uitwerken. Tsja …. Nu hoor ik van onderzoekers dat dit eigenlijk niet zinvol is, maar ja als het door de opleiding geĂ«ist wordt wat doe je dan?
Of ben ik weer eens eigenwijs? đ
Door mede-student Mieke Haverkort werd ik geattendeerd op De Post-It-interviewmethode. Hartger Wassink op zijn blog De Professionele dialoog hierover:
De Post-It-interviewmethode is gebaseerd op de Rich Picture Methode (Monk & Howard, 1998). In deze methode worden interviews gestructureerd aan de hand van een tekening of schema die tijdens het interview door de geĂŻnterviewde zelf worden gemaakt. Het schema wordt opgebouwd op zelfklevende notitieblaadjes: vandaar de naam âPost-Itâ-methode. Zie ook de CPS-uitwerking.
In het kort komt het erop neer dat de geĂŻnterviewde gevraagd wordt om op drie momenten het interview tot dan toe samen te vatten in trefwoorden. Deze trefwoorden worden opgeschreven op zelfklevende notitieblaadjes. Aan het eind van het interview wordt de geĂŻnterviewde gevraagd om de notitieblaadjes te ordenen, zodanig dat ze een goede weergave van het interview zouden geven. Manieren van ordening:
- Naar prioriteit (het belangrijkste bovenaan)
- Naar cluster (wat hoort bij elkaar?)
- Naar beĂŻnvloeding (hoe is de ene factor van invloed op de andere?)
- (een andere manier, die beter bij je onderzoeksvraag past)
Het interview resulteert dan:
- een schema van trefwoorden die door de geïnterviewde met elkaar in verband zijn gebracht;
- de uitleg die de geĂŻnterviewde daarbij geeft;
- de aantekeningen van de onderzoeker tijdens (en na) het interview en
- de opname van het interview zelf.
Voor de analyse kan het schema, met de uitleg van de geĂŻnterviewde, het uitgangspunt vormen; de opname (laat staan de volledig uitgewerkte tekst) dient vooral als achtergrondinformatie, en niet als primaire bron.
Als ik dan lees dat het belangrijkste voordeel van deze methode het opleveren van een grotere validiteit van het onderzoek is, dan kan je toch niet anders dan deze methode omarmen. De geĂŻnterviewde reflecteert meteen op het gesprek en de methode geeft feedback. Daarnaast is het een instrument voor de interviewer om het gesprek te sturctureren. En het scheelt tijd. Het interview hoeft niet geheel uitgetypt en per zin geanalyseerd te worden omdat samenvatten, aanduiden van belangrijkste factoren en samenhang door de geĂŻnterviewde zelf is gedaan.
win-win-situatie lijkt me zo đ
Ik ga het in mijn onderzoeksopzet inbrengen. Ik ben benieuwd naar de feedback die ik hierop zal gaan krijgen.
Groet,
Judith




