Categorie archief: Didactiek

Gelezen: Toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het hoger onderwijs.

Hallo Marcel,

Het zal je vast niet ontgaan zijn dat nu, ruim een jaar na het boek Toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het voortgezet onderwijs (Dominique Sluijsmans & RenĂ© Kneyber) het boek Toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het hoger onderwijs (Dominique Sluijsmans & Mien Segers) is verschenen. Ik kreeg het boek omdat ik het graag wilde lezen en om er een blog over te schrijven natuurlijk 🙂

De afgelopen jaren is veel aandacht geweest voor summatief toetsen. Dat heeft op veel onderwijsinstellingen geleid tot het invoeren van toetsbeleid en het professionaliseren van docenten via BKE/SKE-trajecten. In opdracht van de Vereniging Hogescholen zijn er rapporten verschenen als Beoordelen is Mensenwerk (2014) en Protocol Verbeteren en Verantwoorden van Afstuderen in het hbo 2.0 (2017). Echter, naast het summatief toetsen van kennis en vaardigheden komt er steeds meer aandacht voor Bildung. Jan Anthonie Bruijn zegt daar in zijn voorwoord over

Een kwalitatief hoogstaande samenleving heeft mensen nodig die kennen, kunnen en voelen: daar ligt voor ons als onderwijsmakers dus een grote verantwoordelijkheid

Aansluitend schrijven de redacteuren Dominique Sluijsmans en Mien Segers in de inleiding dat deze visie

vraagt om een herkadering van het waarom, wat en hoe van de manier waarop wij studenten toetsen en beoordelen.

In 239 pagina’s informeert het boek ons over de formatieve functie van toetsen en beoordelen. Kernthema van het boek is hoe de huidige testcultuur van toetsen en beoordelen (met informatiearme cijfers) kan worden veranderd in een feedbackcultuur. Een collectief gedeelde visie op kwaliteit van leren en de rol van beoordelen is hierbij essentieel. In de BKE/SKE professionaliseringstrajecten gaan docenten al op zoek naar nieuwe inzichten en visies op toetsen en beoordelen, en wat dat betekent voor de eigen opleiding/curriculum. Inmiddels is er een enorme toenamen van formatieve toetsen. In de praktijk blijken deze meer een summatieve functie te hebben, omdat er weinig ontwikkelingsgerichte informatie aan wordt toegevoegd. Feedback dient geen ‘afrekenmoment’ te zijn, zo wordt ook in het boek bepleit.

Onderzoek heeft aangetoond dat feedback een krachtig middel is om te leren. Om tot een duurzame feedbackcultuur te komen moet men de bereidheid hebben ‘elkaar verder willen helpen’. Dit stimuleren is essentieel, dat hebben we ook ervaren tijdens het Zuyd innovatieproject FeedbackFruits.

In een zeer prettige schrijfstijl worden vele docenten uit diverse kennisdomeinen van het hoger onderwijs geportretteerd. Centraal in deze 13 interviews staat de vraag wat feedback van docenten vraagt en op welke manier docenten met elkaar een feedbackcultuur kunnen realiseren. Ook (oud-)collega van Zuyd, Ilse Meelberghs, heeft een bijdrage geleverd.

Naast voorwoord, inleiding en de interviews bevat het boek 11 verdiepende hoofdstukken met bijdrage van o.a. Filip Dochy, Esther van Popta, Cees van der Vleuten, Tamara van Schilt-Mol. Het boek eindigt met vijf kernboodschappen die volgens de twee redacteuren nodig zijn voor een toetsrevolutie in het hoger onderwijs. Zij ondersteunen hun boodschappen door te verwijzen naar (eigen) wetenschappelijk onderzoek en naar de interviews en de verdiepende hoofdstukken in het boek.

In een feedbackcultuur 

1. is er sprake van een samenhangend en studeerbaar ontworpen curriculum
2. krijgen studenten door voortdurende formatieve evaluatie alle kansen om de studie succesvol te doorlopen
3. leren studenten verantwoordelijkheid te nemen tegenover zichzelf en elkaar
4. nemen docenten verantwoordelijkheid tegenover zichzelf en elkaar
5. is er sprake van een collectief kwaliteitsbewustzijn

Dominique en Mien benoemen ook dat de toenemende rol van technologie in het onderwijs en de snelle ontwikkeling van learning analytics dat binnenkort wellicht het denken over assessment opnieuw ter discussie zal stellen. Daar weet jij dan weer meer van 🙂

Tijdens het lezen van dit boek viel het me op dat of je nu over het realiseren van een feedbackcultuur hebt of het kunnen omgaan met technologische ontwikkelingen of over het belang van (sociaal) informeel leren van professionals, we blijven het hebben over pioniers die geduld moeten hebben. Geduld? Terwijl overal wordt gesproken dat opleidingen hun studenten beter willen (moeten!) voorbereiden op de arbeidsmarkt door niet alleen kennis en vaardigheden te toetsen maar ook complexe vaardigheden beoordelen als samenwerken, communiceren, leiderschap en professionaliteit. En dat van die studenten (en docenten!), die voorbereid moeten zijn op levenslang leren, een sterke zelfsturing wordt verwacht. Ik heb al eens vaker geblogd over de knowmad, een professional die slim gebruik maakt van sociale technologie om te leren, te reflecteren en bij te blijven op zijn/haar vakgebied bij te blijven. Vol ongeduld wacht ik. En ondertussen pionier ik vrolijk verder 🙂

In het boek wordt door docenten en onderzoekers gesproken over het belang van (peer)feedback. Ik had het waardevol gevonden als er een aantal kritische bijdrage van studenten was toegevoegd. De (ex-)studenten in mijn directe omgeving zien het belang van (peer)feedback niet zoals de auteurs en geĂŻnterviewden van dit boek dat wel (terecht!) bepleiten. In de praktijk blijkt het toch erg lastig te zijn om docenten en studenten, die een traditionele summatieve toetscultuur gewend zijn, uit deze mindset te halen.

Veranderen kost tijd en veel geduld. Maar er zijn ook al zeer veel goede voorbeelden, zoals in dit boek te lezen. Een inspirerend boek met vele handvatten voor het complexe proces van onderwijs ontwerpen waar feedback een integraal onderdeel van vormt. Van harte aanbevolen.

Paasgroeten,
Judith

 

Sluijsmans, D., & Segers, M. (Red.). (2018). Toetsrevolutie: Naar een feedbackcultuur in het hoger onderwijs. Culemborg: Phronese.

Het boek is te koop (€24,99) via uitgeverij Phronese. Vanaf mei zal dit boek net als het andere Toetsrevolutieboek als pdf beschikbaar zijn via de website toetsrevolutie.nl

Digitale leerarrangementen voor toekomstbestendig onderwijs #onderwijsontwerpen

Hallo Marcel,

Vorige week, op die stormachtige donderdag, verzorgde Fleur Prinsen, lector Digitale Didactiek van Hogeschool Rotterdam haar lectorale rede als openbare les. Helaas kon ik er niet bij zijn. Via #digdidactiek kreeg ik wel een indruk. Wilfred Rubens en Jeroen Bottema waren er wel, en zij hebben er gelukkig over geblogd (hier en hier).

Bij de openbare les hoort een digitale publicatie Digitale leerarrangementen ontwerpen: Veranderende onderwijsleerpraktijken in het (hoger) onderwijs. Deze is vormgegeven als een online magazine.

De publicatie bestaat uit 6 hoofdstukken

  1. De verbintenis tussen onderwijzen, leren en technologie
  2. De veranderende onderwijsleerpraktijken
  3. De meerwaarde van digitale leerarrangementen
  4. Het (her)ontwerpproces van digitale leerarrangementen
  5. Kennis over digitale leerarrangementen delen

Gevolgd door een hoofdstuk waar het lectoraat zich op gaat richten. De kern van het lectoraat is innoveren van de onderwijsontwerppraktijk.

De veranderende onderwijspraktijk

In de eerste twee hoofdstukken worden beelden van de veranderende samenleving geschetst en wat dit betekent voor de onderwijspraktijk. Het biedt theoretische kaders waaruit Fleur Prinsen’s perspectief op leren (en die onderschijf ik 🙂 ) duidelijk werd: leren als sociale constructie (Vygotsky) en als connectiviteit (Siemens). Ontwerpen doe je niet alleen maar samen. Samen met docenten (co-creatie), met ICT-ers, met studenten (vergeet de informatieprofessionals en instructional media designers niet, Fleur).

Leren verandert als we technologie integreren in ons onderwijs, zo ook rol van de docent. Daarom formuleert zij een nieuwe definitie voor een digitale leeromgeving:

Een systeem dat het mogelijk maakt digitale leerarrangementen te ontwerpen, waarin het leerproces en het behalen van gestelde leerdoelen optimaal ondersteund kan worden.

Moodle, de nieuwe DLO van Zuyd ondersteunt dit. Hoewel het ontwerpen van leerarrangementen in deze omgeving best nog wel complex is. Er kan zoveel, ervaar ik nu tijdens de Moodle-trainingen. Een leuke uitdaging in ieder geval.

Leerarrangement

Een leerarrangement is gearrangeerd met het specifieke doel iets te leren. Leerarrangementen omvatten vaak online Ă©n offline leeractiviteiten die in een doorlopende leerlijn met elkaar verbonden zijn. De docent schrijft het script voor het leerproces. In ons DC4E-model maken we bijvoorbeeld gebruik van een aantal ontwerpmetaforen.

Fleur Prinsen introduceert het kunnen (co)ontwerpen van digitale leerarrangementen als een nieuwe didactische kwalificatie. In een bijlage beschrijft zij de kennisbasis ICT voor docenten, gebaseerd op competenties en vaardigheden voor digitale didactiek van ADEF. Uiteraard ken ik deze, maar goed om ze weer eens te zien. Zo ook het kaartspel dat Fleur heeft ontwikkeld om ontwikkelingswensen op het gebied van digitale didactiek te bepalen. Mooi om dit op te pakken samen met ons TPACK-spel.

Ontwerpmodellen zijn een goed startpunt waarmee docenten aan de slag gaan, schrijft Fleur Prinsen. Ze beschrijft vervolgens een aantal ontwerpmodellen. Het ADDIE-model komt uitgebreid aanbod. Deze is mooi vormgegeven in een infographic. Ons DC4E-model is gebaseerd op ADDIE en ook een procesmodel ter ondersteuning van het ontwerpen van onderwijs maar dan toegespitst op het onderwijs bij Zuyd.

Kennis delen

Bijna alles wat ik lees herken ik en ondersteun ik. Ik ben heel blij met hoofdstuk 5 waarin Fleur stelt:

Het zou mooi zijn als we de kennis die in de praktijk ontwikkeld wordt tijdens het (her)ontwerpproces, zouden delen met collega’s binnen en buiten onze instituten. Maar hoe kunnen we dit het beste doen? En hoe kan dit soort kennis vervolgens weer het (her)ontwerp ondersteunen van degenen die deze kennis opzoeken?

Delen is nog niet zo gemakkelijk …

Vaak blijft de kennis die in de ontwerppraktijk ontwikkeld wordt impliciet. Ontwerpprincipes, of ontwerppatronen kunnen een rol kunnen spelen bij het delen van de kennis die in de praktijk ontwikkeld wordt tijdens het ontwerpen van (digitale) leerarrangementen.  

Ontwerpprincipes worden gedefinieerd als een soort tussenvorm tussen wetenschappelijke bevindingen (die generaliseerbaar en reproduceerbaar moeten zijn) en lokale ervaringen of uitgewerkte voorbeelden die in de praktijk vorm krijgen. Bij het ontwikkelen van deze principes wordt namelijk zowel wetenschappelijke kennis als praktijkkennis meegenomen.

Helaas heeft zij het antwoord dus ook (nog) niet. Ze gaat het in haar lectoraat onderzoeken. Fleur Prinsen heeft een model geschetst om ontwerpkennis in kaart te brengen.

Fleur Prinsen heeft mooie onderzoeksvragen geformuleerd. Ik wens Fleur met haar lectoraat veel succes in haar ontdekkingstocht naar de antwoorden.

Vorm

De interactieve vorm ziet er echt prachtig uit. Alle hoofdstukken zijn via social media te delen. Onder elk thema staat een reactiemogelijkheid om punten ter verbetering of vragen door te geven. Er zijn zoveel navigatiemogelijkheden dat ik regelmatig de structuur kwijt was. Ik dacht dit op te lossen door de publicatie als pdf te downloaden, maar helaas deze is echt niet echt goed leesbaar. Uiteraard vraagt het lectoraat aan het eind van publicatie hoe we deze vorm ervaren. Natuurlijk heb ik daar mijn reactie achtergelaten 🙂 Ik heb voorgesteld om een duidelijke navigatiepagina met hoofdstukken en paragrafen toe te voegen (ik zag later dat deze toch wat verstopt aanwezig was, maar de onderverdeling vond ik niet echt duidelijk). Een goed leesbaar pdf lijkt mij wenselijk. Zo’n online magazine scan je snel, het is fijn als naslagwerk en handig om pagina’s te delen. Maar een publicatie goed lezen doe ik bij voorkeur via ee pdf.

Groet,
Judith

Impact van blended learning op studiesucces #onderwijsontwerpen

Ha Marcel,

In mijn blended learning boekenkast staat een link naar de website dr. Blend die behoort bij het promotieonderzoek van Nynke Bos. Titel van haar proefschrift: Effectiveness of Blended Learning: Factors Facilitating Effective Behavior in a Blended Learning Environment. Het doel van dit proefschrift was om te bepalen welke factoren effectief gebruik van onderwijstechnologieën vergemakkelijken of belemmeren in een blended learning omgeving. Het ging daarbij om zowel het onderwijsontwerp als studentkenmerken.

In het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs is een artikel ‘Effectiviteit van Blended Learning’ van Nynke Bos en Saskia Brand-Gruwel gepubliceerd met een beknopt overzicht van de bevindingen uit proefschrift en de implicaties hiervan voor hoger onderwijs.

Potentieel blended learning. Maar wat is de praktijk?

In de inleiding wordt het hiaat benoemd hoe blended learning in het hoger onderwijs wordt toegepast versus het potentieel van blended learning zoals beschreven in de literatuur.

  • Praktijk: student heeft extra online leermiddelen tot zijn beschikking om zich voor te bereiden op het contactonderwijs of om hoorcolleges achteraf aan te vullen.
  • Literatuur: blended learning is de combinatie van open en online onderwijs met contactonderwijs waardoor het onderwijs meer gepersonaliseerd en flexibel kan worden aangeboden wat leidt tot meer zelfsturing van studenten en een actievere studiehouding.

Wat is de meerwaarde van blended learning zoals deze in de praktijk wordt toegepast op het studiesucces van de student? In hoeverre is de student tot zelfregulatie in staat doordat ook online leermaterialen aangeboden worden?
Nynke Bos onderzocht 2 blended learning cursussen van UvA die allebei opgebouwd waren uit niet-verplichte hoorcollege, toegang tot de webcolleges, verplicht werkgroeponderwijs met werkboeken met aanvullend studiemateriaal en formatieve toetsen (beschikbaar in een LMS). Het verschil was dat bij de ene cursus de formatieve toetsen facultatief waren en bij de ander verplicht. De cursussen waren niet expliciet ontworpen om het zelfregulerend vermogen bij studenten te stimuleren. Bij start van de cursussen hebben studenten MSQL dan wel ILS vragenlijst ingevuld waarmee studenten een inschatting geven van hun motivatie en metacognitieve vaardigheden.

Studentkenmerken

Het onderzoek bevestigt eerder onderzoek dat studenten leermiddelen verschillend gebruiken. Er werden vier gebruikerstypen geĂŻdentificeerd:

  1. sociaal-gefocuste intensieve gebruikers (de hoorcollegebezoekers)
  2. content intensieve gebruikers (webcollegekijkers en toetsgebruikers)
  3. taak selectieve gebruikers (toetsgestuurd lerenden)
  4. niet-gebruikers (duidelijk ;))

Elk gebruikerstype liet een wisselende impact op het studiesucces zien. De mate van zelfregulatie lijkt niet het ontstaan van de verschillende gebruikerspatronen te verklaren, maar lijkt wel sterk samen te hangen met het studiesucces binnen een blended learning omgeving.

Wat betekent dit voor een blended learning ontwerp?

De bevindingen uit het onderzoek onderstrepen het belang van begeleiding aan studenten in een blended leeromgeving. Deze begeleiding moet tweeledig worden vormgegeven, nl

  1. hoe studenten verschillende leermaterialen moeten of kunnen combineren
  2. de metacognitieve vaardigheden: op welke manier kunnen leermaterialen bijdragen aan leerdoelen en welke strategieën zijn nodig om de leerdoelen te bereiken

Zoals wij in het DC4E-model ook in het hulpmiddel format leeractiviteiten hebben beschreven om bij ontwerpen wekelijks leerdoelen aan werkvormen en leeruitkomsten te koppelen, is het voor het stimuleren van het zelfregulerend vermogen van studenten wenselijk om studenten ook expliciet hier op te wijzen.

Het onderzoek vindt maar een beperkte impact van blended learning op het studiesucces. Dat wil niet zeggen dat blended learning niet effectief is. Zo kunnen tools als discussiefora (tools die vragen om een actievere houding) een grotere impact hebben op het studiesucces.

Learning Analytics

Ook is in dit onderzoek gebruik gemaakt van learning analytics. Hier werden een aantal kritische kanttekeningen geplaatst (gemiddelden zijn niet zo eenduidig, het zegt niets over kwaliteit van leren, het lokt uit tot gaming the system(!) 😉 ). Ook het gebruik van learning analytics dashboards moet net als blended learning worden geleerd wil het ten goede komen aan het leerproces.

Conclusie

die we kunnen (moeten) meenemen in ons advies tav curriculumontwikkeling irt succesvol studeren:

Om effectievere blended learning omgevingen te ontwerpen, moet er meer aandacht komen voor hoe blended learning studenten ondersteunt bij zelfregulatie van het leren, waarbij learning analytic gebruikt kunnen worden om deze zelfregulatie te monitoren. 

Groet,
Judith

 

Bos, N.R. & Brand-Gruwel, S. (2017). Effectiviteit van Blended Learning. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 35(1), 5-21. http://hdl.handle.net/1820/9056

Docententeams ondersteunen bij ontwerpen onderwijs

Ha Marcel,

Deze maand heeft SIG Blended Blearning een seminar georganiseerd met als thema het faciliteren van docenten(teams) bij blended learning. Op de SURF website zijn alle presentaties te bekijken en te lezen. Jeroen Bottema van hogeschool Inholland heeft op zijn blog Leervak over 3 (hier, hier en hier) van de 5 presentaties (van hogescholen en universiteiten) uitgebreid geblogd. Veel van wat ik lees, herken ik uit eigen ervaring en onderzoek.

Ook bij Zuyd staat het ontwerpen van (blended) onderwijs op de agenda. Zo zitten we midden in een aanbestedingstraject voor een LMS dat de kern gaat vormen van onze digitale leeromgeving. De pilots flexibilisering van Zuyd Professional zet docententeams aan het denken/werk over het blended maken van hun onderwijs. Het lectoraat technologie-ondersteund leren heeft een ontwerpmodel blended onderwijs beschreven. Een programma ‘succesvol studeren’ gaat docententeams helpen bij curriculumontwikkeling.
Met mijn 2 collega’s van het I-team zitten wij sinds kort in het cluster Onderwijskundige Ondersteuning van de Dienst Onderwijs en Onderzoek. Ons cluster is bij al bovenstaande initiatieven nadrukkelijk betrokken.

Uit al deze lessons learned zie ik onderstaande factoren veelal terug in alle presentaties:

  • Implementatie van blended learning kan op verschillende manieren aangepakt worden: top down of bottum-up, centraal of decentraal, verplichtend of vrijblijvend. Geen van de manieren is dĂ© road to success. Een mix van deze aanpakken is meestal de praktijk. Een duidelijke visie op blended learning is daarbij wel voorwaardelijk.
  • Geef implementatietrajecten (op het nu gaat om LMS of Blended Learning) vanauit management tijd en aandacht. Ga ook als teamleider het gesprek aan met docenten over ontwikkelingsbehoefte op het gebied van blended learning en biedt professionalisering cq ondersteuning.
  • Er is behoefte aan maatwerk: op opleidingsniveau, faculteitsniveau en docentniveau. Dat betekent flexibele, snelle en laagdrempelige ondersteuning (denk aan learning on the job, workshops, online cursussen, 1 op 1, it-support) die docenten kunnen begeleiden bij het ontwerpen van onderwijs, maar ook kunnen ontzorgen. Dit vraagt om onderwijskundige professionals met brede kennis van ontwerpen van onderwijs. Zo’n learning designer is een duizendpoot (zie ook mijn blog over accidental instructional designer). Zo’n ontwerper is een leraar, een inspirator, een procesbegeleider, een expert volgens TPACK, een adviseur die afwegingen maakt op basis van de ontwikkeling waar het docententeam zich bevindt en een bruggenbouwer. (jaja)
  • Leren door te doen! Laat voorbeelden zien. Kopieer en doe na.
  • Kennisdeling en communitybuilding is cruciaal, hoewel je daar niet alle docenten mee zult bereiken. Zet daarom in op een diversiteit van kennisdeelactiviteiten, online en f2f. In teamvergaderingen, events, studiedagen, nieuwsbrief, pizzasessies, FAQ’s. Communiceer en enthousiasmeer!
  • Verweef professionalisering op het terrein van blended learning in een generieke visie en aanpak op docentprofessionalisering. (BKO, BKE, BDB). Organiseer verschillende typen scholingsactiviteiten.
  • Benoemde knelpunten bij docenten blijven: tijdsinvestering, what’s in it for me? en digitale competenties.
  • Betrek studenten bij implementatie, ondersteuning en evaluatie.

Universiteit Leiden heeft onderzoek gedaan naar randvoorwaarden voor succesvol implementeren van blended learning. Deze komen overeen, zoals onderstaand plaatje laat zien met het 6-factoren model voor learning-enriched schools van Michael Fullan.

Alle bovengenoemde succesfactoren sluiten aan op diverse analyses die binnen Zuyd hebben plaatsgevonden. Voor duurzame implementatie is een heldere centrale visie op leren nodig, met ruimte voor opleidingen/faculteiten om binnen de gestelde kaders eigen invulling te geven aan het begrip blended learning, en daarbij voor de implementatie een haalbaar tijdspad te koppelen. (ICT-) docentprofessionalisering is daarbij cruciaal net zoals tijd om te leren, ondersteuning van docenten en delen van kennis en ervaring. Met het nieuwe cluster Onderwijskundige Ondersteuning werken we samen met de 3 onderwijslectoraten van Zuyd om daarmee ‘evidence-informed’ denken en werken te borgen.

Zoals ik schreef in het blog The Accidental Instructional Designer kan een ontwerpmodel helpen bij het spreken van een gezamenlijke taal. De gepresenteerde ontwerpmodellen/stappenplannen die ik zag komen veelal overeen met het veelgebruikte ADDIE-model (Analysis Design Development Implementation Evaluation).

In de presentatie ‘ontwerp je eigen blend‘ stonden heldere ontwerpvragen geformuleerd:

  • Wat moet de student leren?
  • Hoe meet je of de student dit geleerd heeft?
  • Wat moet de student doen om dit te leren?
  • Wat heeft de student daarvoor nodig?
  • Hoe weet de student (en docent) hoe hij ervoor staat?
  • Welke werkvorm past hierbij?
  • Welke tool past hierbij?
  • Check, check, dubbelcheck


Als ik deze koppel aan de ontwerpvragen uit mijn vorig blog dan hebben we, denk ik, een mooi startpunt voor ons onderwijskundig ondersteuning- en advieswerk.

Warme groeten,
Judith

Meer lezen over ontwerpen Blended Learning? Zie mijn boekenkast!

Docentenberaad #Zuyd over onderwijskwaliteit en personeelsbeleid

Zoals je wellicht weet, Marcel, draag ik het Docentenberaad van Zuyd een warm hart toe. Ik ben groot voorstander van dat docenten hun stem laten horen, maar ook hun professionele ruimte pakken. Donderdag 20 april was een docentenmiddag georganiseerd door het Docentenberaad. Het was tevens de kick-off van de landelijke debattour van Zestor: Missie Vliegende Start. De middag werd geopend door de gedreven voorzitster van ons Docentenberaad, Dorien Gerards. Gevolgd door een welkomstwoord door CvB-voorzitter Karel van Rosmalen die weer eens Jules Deelder citeerde 🙂

“Ruimte binnen de perken is net zo onbeperkt als daarbuiten”

Vervolgens was het woord aan Albert Weishaupt, lector Professionele Onderwijsorganisaties van Stenden en tevens directeur bij het Roelof van Echten College, een VO-school. Bijzondere combi. Zijn lectoraat doet onderzoek naar hoe een school zich tot een adequate onderwijsorganisatie ontwikkelt, terwijl hij ook leiding geeft aan een onderwijsorganisatie. Een boeiende combinatie vond hij zelf. Als lector word je ineens als expert benoemd, terwijl dat ook maar betrekkelijk is, volgens hem.

Inspiratiebron voor zijn onderzoek is het boek van Mathieu Weggeman ‘Leidinggeven aan professionals? Niet doen!’ De presentatie van Weggeman hierover blijft meer dan de moeite waard van het kijken 🙂

Met sprekende voorbeelden, in een snel tempo en veel humor besprak Weishaupt het ‘gedoe’ in het onderwijs. Er is veel gezeur en gezeik, een constante roep (door de beste stuurlui?) om verbetering van het onderwijs. Er is blijkbaar iets fundamenteels mis, constateert Weishaupt, dat vraagt om rust en herbezinning. Hebben we een gezamenlijk beeld over goed onderwijs? (verwijzend naar Biesta: socialisatie, subjectwording, kwalificatie). Momenteel is er veel aandacht voor de rol van de docent als kritische succesfactor voor de kwaliteit van het onderwijs. Wat Weishaupt vertaalde in: “Docenten hebben de sleutel in handen voor goed onderwijs …. maar waar is dat sleutelgat?” 🙂

Hij besprak in een sneltreinvaart ook kenmerken van een professionele docent, gebaseerd op Hargreaves & Fullan (ben fan van Fullan 🙂 ) / Donk & Kunneman). Zo’n docent …

  • is voortdurend bezig eigen manier van lesgeven te onderzoeken en te verbeteren, gebruikmakend van wetenschappelijk getoetste kennis;
  • werkt in teams waarbij het gaat om een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het lesgeven;
  • participeert in de beroepsgroep;
  • gaat op een publiek te verantwoorden manier om met waarden en normen (zie ook mijn blog over normatieve professionalisering).

Onderwijs is een proces, het is een risicovol proces, maar geen geĂŻsoleerd proces: onderwijs is niet maakbaar. Goed onderwijs sluit aan bij de menselijke conditie. Het lijkt er op dat docenten buiten de discussies over goed onderwijs worden gehouden. Docenten kunnen de rol ook pakken.

Willen onderwijsorganisaties ruimte bieden aan zo’n professionele docent zouden zij (volgens Hargreaves, Verbiest) aan de onderstaande eisen moeten voldoen:

  • vorming van een team (in de betekenis van een leergemeenschap)
  • ruimte in tijd voor docenten voor overleg, training en studie
  • organisatorische ruimte (verantwoordelijkheden, bevoegdheden)
  • ruimte om een bijdrage te kunnen leveren aan een beroepsgroep

In de discussie die na deze keynote volgde, ging voornamelijk over het overvolle curriculum. Dat (vak)docenten geen afscheid kunnen nemen van stokpaardjes. Curricula moeten flexibeler. Als je niet weet hoe de wereld eruit komt te zien, hoe kan je dan een curriculum voor vier jaar vaststellen? Hoe bouwen we betekenisvol onderwijs? Interessantthema’s, de moeite van verdere verkenning waard ….. Een ander gesprekspunt ging over de vermaledijde flexibele schil. Jonge frisse (vak)docenten zouden ook gevraagd kunnen worden om feedback te geven op actualiteit van curriculum.
Het punt over professionele identiteit van docenten, en het niet pakken van een rol over kwaliteit en toekomst van onderwijs, kon volgens Ă©Ă©n van de aanwezigen ook liggen dat bij hbo-docenten een gezamenlijke identiteit mist. Docenten voelen zich meer vakvrouw/-man (verloskundige, programmeur, etc) dan docent.
Tot slot kwam ook de werkdruk even ter sprake. Ik hoorde dat gezegd werd dat we werkdruk zelf creĂ«ren. Mwah. Dat is gedeeltelijk waar denk ik. De ruimte binnen de perken kan ook iets doen met de gevoelde mogelijkheden. Ik heb geen lesverplichtingen  en daardoor redelijk zeggenschap over mijn agenda. Dat is bij docenten wel wat anders. Toch merk ik dat ook ik me al steeds meer terugtrek om mijn werkdruk te ‘managen’. Dat ik steeds meer aan het ‘meestribbelen’ ben zoals Mathieu Weggeman dat noemt, dat kost me iets minder energie.

De vraag die bleef hangen: ‘Zijn wij (zelf of als organisatie) in staat om docenten te faciliteren (ruimte en tijd te geven) zodat ze ont-moeten?’. Inderdaad tijd voor rust en herbezinning, zoals Albert Weishaupt bepleitte.

Ik vond het jammer dat de collegezaal niet overvol zat. Als expertdeskundige (ICT in het onderwijs) ben ik betrokken bij het Docentenberaad. Ik ben geen docent dus kan ook niet deelnemen in dit beraad. Belang van docenten bij het vormgeven van kwalitatief goed toekomstgericht onderwijs is enorm. Docentenberaad Zuyd zoekt nog leden! Dus docenten van Zuyd: pak je rol en meld je aan!

Judith

Meer over positioneren van de docent als professional en onderwijskundig leider is te lezen in de lectorale rede van Albert Weishaupt.

Bronnen:

  • Biesta, G. (2012). Goed onderwijs en de cultuur van het meten. Dan Haag: Boom Lemma
  • Donk, W. B. H. J. van de. (2006). Geloven in het publieke domein: verkenningen van een dubbele transformatie. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • Hargreaves, A., & Fullan, M. (2012). Professional capital: transforming teaching in every school. London: Routledge
  • Verbiest, E. (2012). Professionele leergemeenschappen: een inleiding. Antwerpen: Garant
  • Weggeman, M. (2008). Leidinggeven aan professionals? Niet doen! (3e druk.). Schiedam: Scriptum Management

Effectief studeren: the ANSWER method

Hi Marcel,

In de Nieuwsflits heb ik al vaker items geplaatst over de zes studieposters voor effectief studeren die door The Learning Scientists zijn uitgebracht en vertaald zijn door Pedro De Bruyckere.

Op basis van wetenschappelijk onderzoek hebben de volgende zes studiemethodes bewezen effectief te zijn:

  1. Spaced Practice (spreid je studeermomenten in de tijd)
  2. Retrieval Practice (actief ophalen van informatie)
  3. Verwerking (leg ideeën uit en beschrijf ze met veel details)
  4. Interleaving (wissel onderwerpen af tijdens het studeren)
  5. Concrete Voorbeelden (gebruik specifieke voorbeelden om abstracte ideeën te begrijpen)
  6. Dual Coding (combineer woord en beeld)

Deze posters (in verschillende talen) en meer downloadmateriaal zijn beschikbaar via The Learning Scientist. Inmiddels zijn hier ook verschillende video’s met meer uitleg te bekijken

De Memorize Academy heeft deze strategieën samen gevat in onderstaand filmpje op een manier waardoor je het goed kunt onthouden: The ANSWER method

  • Ask, explain and connect
  • No cramming
  • Switch
  • Words and visuals
  • Examples
  • Recall what you know

Ik wilde alle linkjes bijeen hebben in mijn extern geheugen, vandaar deze blogpost 🙂 En het is sowieso zinvol voor iedere lerende, jong en oud, als je studeert dat ook maar effectief te doen. Niet waar? 🙂

Groet,
Judith

17 Principles of effective instructions

Hi Marcel,

Ook jij ontving als kenniskringlid Technoogie-Ondersteund Leren een leestip van de lector Professioneel Beoordelen, Dominique Sluijsman. Heb je het toegestuurde artikel Principles of Instruction: Research-based strategies that all teachers should know / by Barak Rosenshine al gelezen?

Het artikel beschrijft een aantal instructieprincipes. De uitgangspunten zijn gebaseerd op resultaten van verschillende type wetenschappelijk onderzoek (breinonderzoek, toegepast onderwijsonderzoek) die elkaar aanvulden (en dus niet tegenspreken).

De kracht van de herhaling, in kleine stapjes (mastery learning), laten zien/geef voorbeelden (modeling), het stellen van goede vragen en hardop in eigen woorden laten vertellen, zijn principes die in het artikel beschreven worden. Geadviseerd wordt om misconcepties tegen te gaan door te controleren of alles goed is geleerd, misvattingen zijn moeilijk om weer af te leren. Studenten dienen herformuleren, samenvatten en uitwerken om het geleerde in lange termijn geheugen op te slaan. Ook scaffolding is belangrijk [Scaffolding betekent letterlijk steiger of ondersteuning en staat voor hulp die aangepast wordt aan het begrip en de voorkennis van een student. Net als een steiger, wordt deze hulp weer weggenomen als de hulp niet meer nodig is. Lees hier meer].

Het zijn instructieprincipes die elke docent zouden moeten kennen, zegt Paul Kirschner. Hij heeft waarschijnlijk gelijk (wie ben ik om dat in twijfel te trekken? 😉 ). Ik vraag me alleen af of er nog zoveel instructies worden gegeven in het hbo? Of misschien moeten we dat meer doen, want het blijkt effectiever te zijn dan ‘zelfstandig werken’. Het voordoen, het samen doen, het en nu doe jullie/je het alleen schijnt heel leerzaam te zijn. Zo zegt dit onderzoek.

De 17 Principles of effective instructions op een rijtje:

  1. Begin a lesson with a short review of previous learning.
  2. Present new material in small steps with student pratice after each step.
  3. Limit the amount of material students revieve at one time.
  4. Give clear and detailed instructions and explanations.
  5. Ask a large number of questions and check for understanding.
  6. Provide a high level of active practice for all students.
  7. Guide student as they begin to practice.
  8. Think aloud and model steps.
  9. Provide models of worked-out problems.
  10. Ask students to explain what they have learned.
  11. Check the responses of all students.
  12. Provide systematic feedback and corrections.
  13. Use more time to provide explanations.
  14. Provide many examples.
  15. Reteach material when necessary.
  16. Prepare students for independent practice.
  17. Monitor students when they begin independent practice.

Rosenshine, B. (2012). Principles of instruction. Research-based strategies that all teachers should know. American Educator, 39, 12-19. Retrieved from  https://www.aft.org/sites/default/files/periodicals/Rosenshine.pdf

Groet,
Judith

Rust, filosofie voor onderwijsontwerpen

Werk vanuit een ontwerpfilosofie: een filosofie van rust creëren, zodat je je druk kunt maken om de inhoud.
Harald Dunnink

Hi Marcel,

Bovenstaande citaat stond zondag in de Bildungskalender. Dit is een scheurkalender met elke dag een uitspraak over onderwijs, toegelicht door een expert. De toelichting op dit citaat werd gegeven door Luc Sluijsmans (ja, broer van 🙂 ). Harald Dunnink schreef een jaar geleden in De Correspondent het artikel Rust, een ontwerpfilosofie voor de digitale tijd.

Als we binnen ZOEC over curriculum ontwerpen spreken, gaat het vaak over rust en tijd nemen voor het ontwerpproces. We zien dat ontwerpteams dit niet hebben. Deze willen we ze binnen ZOEC bieden. Onderstaande inspirerende ontwerptips van Harald Dunnik bieden een hiervoor een mooi startpunt.

De basis: een rijk aanbod dat rust uitstraalt

  • Rond maken: Maak een eenheid van je ontwerp. Zorg voor samenhang.
  • Helderheid creĂ«ren: maak het niet moeilijker dan het is, de kracht zit in de eenvoud.
  • Context geven: inzicht begint met begrip, informeer je. Elk ontwerp begint met goed onderzoek.

De aanpak: rust om te wegen

  • Bewust investeren: vooruitkomen is samen stilstaan bij keuzes. Focus en selectie sturen niet alleen het ontwerpproces, maar ook mĂ©t wie je werkt en vóór wie.
  • Inzet beschermen: blijf in gesprek over de uitvoering. Bescherm de kwaliteiten van je team door vooraf goede afspraken over vorm, techniek en ideeĂ«n te maken.
  • Gebruikers koesteren: blijf je bewust van de groep voor wie je ontwerpt en waarom. Blijf nieuwsgierig.

De groei: berusten in rusteloosheid

  • Oneindig bouwen: er is altijd ruimte voor verbetering. Een ontwerp is nooit af.
  • Interactie omarmen: leg verbinding met de buitenwereld.
  • Ongeremd creĂ«ren: blijf groots denken en klein werken.

Judith

Samenhang der dingen

Hi Marcel,

Jij, ik, zien, zoeken en vinden verbindingen. Ik heb gemerkt dat als je onderzoek doet, dat dit een lastige eigenschap is 😉 . Als je onderwijs ontwerpt is het juist handige eigenschap omdat het dan goed is te realiseren dat alles met elkaar in verbinding staat.

Deze week hadden we weer een inspirerende ZOEC-sessie. Dit keer was Jan van den Akker onze gast. De man van hét spinnenweb. Je weet misschien nog dat ik dit model gehanteerd heb (als opdracht van mijn MLI studie) bij het analyseren van het curriculum van de faculteit ICT en het herontwerpen een open online cursus basis wiskunde. Bijzonder leuk om nu samen met hem om de tafel te zitten en te praten over onderwijs ontwerpen en ZOEC.

Het spinnenweb model heb ik onlangs ook kort beschreven voor het Blended Learning model waar we binnen het lectoraat technologie-ondersteund leren over nadenken. Misschien goed om het model in dit blogbericht ook nog toe te lichten.

SPINNENWEB

Van den Akker onderscheidt verschillende curriculaire verschijningsvormen. Deze zesdeling is gebaseerd op het werk van John Goodlad. Deze indeling kan een kritisch hulpmiddel zijn tijdens het ontwikkelproces: doen we wat we beogen en bereiken we wat we beogen? Hoe wordt het beoogd curriculum uitgevoerd?

De kern van een curriculum zijn de doelen en inhouden van het leren. Van den Akker gebruikt hiervoor de metafoor van het spinnenweb. In het spinnenweb staat visie of missie van de school centraal, het is de verbindende schakel. De overige onderdelen van het curriculum zijn: tijd, toetsing, leerdoelen, leerinhoud, leeractiviteiten, rol van de docent, leermaterialen, groeperingsvorm en leeromgeving, deze zijn verbonden met die visie. Idealiter zijn ze ook met elkaar verbonden, zodat er sprake is van consistentie en samenhang. De metafoor van het spinnenweb onderstreept volgens Van den Akker het kwetsbare karakter van een curriculum. “Spinnenwebben zijn weliswaar enigszins flexibel maar dreigen toch te scheuren als er te hard en eenzijdig aan bepaalde draden getrokken wordt zonder dat de andere draden meebewegen.” Als je dus Ă©Ă©n element van het curriculum verandert heeft dit direct gevolgen voor andere elementen binnen het curriculum.

spinnenweb

De aanklikbare versie van het Spinnenweb

Bronnen:

  • Thijs, A., & Van den Akker, J. (2009). Leerplan in ontwikkeling. Enschede: Stichting leerplanontwikkeling (SLO).
  • curriculumontwerp.slo.nl

Interessant is om ook de publicatie over het didactisch concept van de Hogeschool Utrecht over Blended Learning : Onderwijs ontwerpen nog eens te lezen. Hierin zijn de didactische keuzes die hierbij gemaakt kunnen worden verder uitgewerkt.

Terug naar het gesprek met Jan van den Akker …

SAMEN ONTWERPENDE DOCENTEN

Jan stelt het ontwerpdenken van docent centraal. Meer dan onderzoek zit het ontwerpen in de zone van naaste ontwikkeling van docenten. Uit eigen ervaring, maar ook op basis van het concept mapping methode van Hendrik Drachsler blijkt dat er veel te weinig tijd en ruimte is voor onderwijskundig ontwerpen binnen Zuyd. ZOEC beoogt een onderwijskundige community voor kennisdeling te bieden aan ontwerpende docenten. Ontwerpen is tevens een krachtige manier om professionele ontwikkeling te stimuleren.

Visualisatie en simpele taal zoals het spinnenweb kunnen helpen duidelijkheid te scheppen in het complexe proces van curriculum ontwerpen (macro/meso) of onderwijs ontwerpen (micro). Geconcludeerd wordt dat er veel gestapeld wordt in curricula waardoor curricula overvol worden. Keuzes moeten gemaakt worden vanuit een visie. De ‘waartoe?’-vraag moet gesteld worden. Waartoe leiden we op? Dit expliciteren, keuzes legitimeren, visie opnieuw overdenken. Is differentiatie nodig in wat we doen/willen of geldt voor iedere student hetzelfde? De samenhang is belangrijk (“every chain is as strong as its weakest link“), weinige in een team kennen de samenhang. Het spinnenweb helpt om het collectief ontwerpen van teams te stimuleren (zeker mbv het spinnenweb vloerkleed). Het helpt inzichtelijk te maken: waar beginnen we mee? wat volgt? wat kan wachten? Maar het maakt ook het krachtenveld duidelijk: waar heb je invloed op en waar niet op. Het is wenselijk om dat in kaart te brengen. Maar ook om periodiek reflectiemomenten in te voeren en experimenteerruimtes te creĂ«ren.

Advies van Jan: “Think big start small“.

Ontwerpuitdagingen voor ZOEC:

  • Op zoek gaan naar veelbelovende inspirerende voorbeelden. Lessons learned. Documenteer niet alleen producten maar ook het proces.
  • Behoeftenonderzoek ; beelden schetsen (‘..zou het niet beter/mooier/wijzer/etc zijn als..’), d.w.z. niet vragen ‘wat denk je nu?’. Een mens weet niet wat hij niet weet! Met empathie je inleven in de behoefte van de eindverbruiker.
  • Literatuurstudie

Het ontwikkelen van een aantrekkelijke ZOEC-omgeving is een zoektocht, waarin continu het leervermogen van de organisatie gestimuleerd / duurzaam gemaakt moet worden, gelet moet worden op taal, begrippen, manier van overdragen op de ander, kennisdeling van curriculumontwikkeling, centraal stellen van onderwijsontwerp, onderzoekmatigheid, cultuur van de docenten. Het zou ook een goede oefening zijn om het spinnenweb als model te hanteren bij het ontwerpen van ZOEC.

Al met al weer een leerzame middag.
Judith

Dank aan Sandra Bösch die van elke bijeenkomst een uitgebreid verslag maak. Handige hulp bij het schrijven van mijn blog 🙂 .

Bloggen in het onderwijs

bloggenonderwijsHoi Marcel,

Fontys collega’s Tons Fleuren, DaniĂ«lle Quadakkers en Mia van Rijsewijk hebben een mooie publicatie voor hun organisatie samengesteld: Bloggen in het Onderwijs. Handvatten voor de inzet van weblogs. Beschikbaar via HBO-Kennisbank onder CC-BY-NC-SA licentie, dus ook te gebruiken voor / door ons. Ik heb m inmiddels ook al toegevoegd aan het item ‘weblogs’ op onze Dingen@Zuyd.

Na een theoretische verkenning van de didactische inzet van weblogs in het hoger onderwijs volgen didactische toepassingsmogelijkheden (diverse typen portfolio’s) van weblogs als de technische (software zelf kiezen of via Fontys aangeboden) en juridische aandachtspunten (privacy, auteursrecht, beoordeling, accreditatie). Daarnaast worden keuzes, mogelijkheden en uitdagingen beschreven.

In dit blog wil ik nog inhoudelijk op deze uitgave ingaan. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het een super goed initiatief vind van mijn Fontys-collega’s van Dienst Onderwijs en Onderzoek. Vanuit de vragen die er zijn naar het didactisch inzetten van weblogs is deze uitgave tot stand gekomen. Dat het als boekwerk in de organisatie is verspreid, is te zien aan de digitale versie van deze publicatie. Volgens mij is de digitale drukversie beschikbaar gesteld, de pagina’s staan helaas niet in een leesbare volgorde. Dat is jammer voor degene die dit soort publicaties toch liever digitaal beschikbaar hebben.
[update 02012017: inmiddels is digitale drukversie vervangen door een goed leesbare digitale versie. De hyperlinks zijn aangepast]

In de theoretische verkenning wordt vermeld dat in de weinig beschikbare empirische studies bekend zijn over bloggen in het onderwijs. (dat biedt dan mogelijkheden voor de promotietrajecten van onze critical friends Ankie van de Broek en Marcel Graus 😉 ). Maar de weinige onderzoeken tonen wel aan dat bloggen samenwerken, reflectie en kritisch denken stimuleren, maar dat het ook de lerende eigenaar maakt van zijn/haar leerproces. Bloggen is een vorm van social learning. Ervaringen, meningen, ideeĂ«n delen, leren van elkaar; deze verdiepende interactie komt de kennisconstructie ten goede.

Binnen Fontys, zo staat in hoofdstuk 3 te lezen, worden weblogs voornamelijk ingezet als

  • showportfolio (personal branding, meestal voor iedereen toegankelijk),
  • begeleidingsportfolio (volgen van studievoortgang bij stage, feedback door docenten en peers, meestal niet openbaar toegankelijk)
  • en als beoordelingsportfolio (verzamelen van bewijslast (leeruitkomsten), alleen toegankelijk voor student en beoordelaar).

Als tips wordt hierbij gegeven:

  • het hanteren (of het met studenten samenstellen) van rubrics tbv feedback (formatieve beoordeling).
  • onderwijsactiviteit dient duidelijk op het blog beschreven te zijn.
  • instrueren van de begeleidende docenten, zet ook zelf de blogtool in (‘practice what you preach’).
  • inrichten van een digitale helpdesk voor studenten, docenten en begeleiders die beschikbaar moet zijn buiten de reguliere werktijden.

Ik vind het jammer dat  in de publicatie de nadruk ligt op portfolio’s, en dan met name de begeleidings- en beoordelingsportfolio’s. Ik denk dat bloggen ook voor andere didactische toepassingen ingezet kan worden. Zoals Zuyd-collega Emmy Nelissen het inzet: als groepsactiviteit om studenten te leren argumenteren. Zij werden hier ook uitgedaagd om het werkveld of experts uit te dagen te reageren op hun stellingen (netwerkmogelijkheden).
Tijdens mijn studietijd bij Fontys heb ik als student blog ook ingezet voor groepscommunicatie, maar ook om kennisdelen en groepsinteractie te ondersteunen.

Met betrekking tot de blogtools zijn er binnen Fontys naast de beschikbare SharePoint drie varianten

  1. volledige keuzevrijheid (WordPress, Blogger, Tumblr) – alle verantwoordelijkheid bij student
  2. software met externe hosting (WordPress, Simulise) – functioneel beheer zelf inrichten in afstemming met Dienst IT
  3. WordPress server binnen Fontys (pilot)

Binnen Zuyd behoort optie 3 niet meer tot de mogelijkheden. Optie 2 is momenteel in onderzoek door Facilitair Bedrijf ICT. De meest gebruikte variant bij Zuyd is optie 1: student maakt zelf via WordPress of Blogger een blogomgeving. Uiteraard is single-sign-on wenselijk, maar dat is bij deze optie niet mogelijk. Dat kan wel als je, zoals enkele opleidingen dat doen, gebruik maakt van de blogoptie binnen Blackboard.

Een hele goede toevoeging in deze publicatie, en die heel vaak vergeten wordt, zijn de juridische aspecten. In een onderwijssituatie heb je je te houden aan de Wet bescherming persoonsgegevens. Voor bloggen betekent dit dat persoonsgegevens alleen verwerkt mag worden, indien de betrokkene daar toestemming voor heeft gegeven. Het is voor een blogger echt niet te doen om schriftelijke toestemmingsbewijzen te gaan verzamelen. Daarnaast zijn zij ook formeel juridisch aansprakelijk voor wetsovertredingen in het reactieveld, een disclaimer heeft blijkbaar maar een beperkte waarde. Gelukkig hebben wij in al die jaren bloggen nog niet zoiets meegemaakt.

Bij beoordelingsportfolio’s is het nog goed te realiseren dat deze tbv accreditatie nog digitaal gearchiveerd te worden, met het risico dat bepaalde links naar webpagina’s in de tussentijd verlopen zijn. Beoordelaar dient daarom goed te motiveren op basis van welke criteria tot een bepaalde beoordeling is gekomen.

Je vraagt je af waarom je bloggen nog zou inzetten in het onderwijs, als er zoveel juridische haken en ogen aan zitten 😉

En dan nog het auteursrecht …
maar daarover een ander keer meer, want hierover heb ik nog wat meer te vertellen.

De laatste paragraaf vond ik niet echt een uitnodiging om als docent of medewerker te gaan bloggen. Blijkbaar kunnen arbeidsrechtelijke consequenties het gevolg zijn van onwelwillende bloguitingen. De schrijvers vinden het raadzaam de werkgever te informeren en toestemming te vragen om te bloggen….
Formeel hebben wij dat nooit gedaan. Ons toenmalige leidinggevende was op de hoogte en heeft ons ook daarin altijd aangemoedigd.
Ik zou me, als (Fontys) docent, niet laten weerhouden. Bloggen is naast een geweldige mooie leertechnologie (vind ik dan, maar ik ben bevooroordeeld) en super kennisdeeltool. Voor iedere lerende!

Groet,
Judith

%d bloggers liken dit: