Site-archief

To scrum or not to scrum #onderwijsontwerpen

Hi Marcel,

Door toeval kwam ik weer eens op het blog van Petra Peeters. Petra ‘ken’ ik van de MOOC Exploring Social Learning. Zij was moderator van deze MOOC en heeft ontwerpprincipes in een artikel met ons gedeeld, hierover heb ik destijds geblogd. Vorig jaar heeft zij in 11 blogpost het proces van 5 maanden (februari-juni 2016) scrummend een deeltijdcurriculum ontwerpen, gedeeld. In de 12e bijdrage geeft zij terugblik. Deze leermomenten wil ik in onze rubriek #onderwijsontwerpen ook hier even vastleggen. Vooral ook omdat ik dit in het kader van onderwijs ontwikkelen voor Zuyd Profesional interessant vind.

De opleiding Opleidingskunde van de HAN had 6 maanden de tijd om een nieuw blended deeltijdcurriculum te ontwikkelen. Ze kozen SCRUM als ontwikkelmethodiek. Zij werden hierbij begeleid door scrum@school. Het was een avontuur zo blijkt uit de blogberichten.

Uitgangspunten

In dit half jaar hebben ze uitgangspunten die voor het curriculum gelden geformuleerd en uitgewerkt. Ook zij werken met leercoaches en leeruitkomsten. Leerarrangementen is een term die ik uit mijn MLI-tijd ken, binnen Zuyd Professional wordt nog ‘gewoon’ over modules gesproken. Wezenlijk in de uitgangspuntpunten is de integrale aanpak en de integratie van de praktijk in de modules.

Ontwikkelteam

Zij hadden een team van 12 mensen waarvan 4 werkstudenten (mooi!). Samen hadden ze 0,9 fte per week om te ontwikkelen. Zij adviseren een kleiner kernteam die sneller stappen kan maken omdat nu veel tijd kwijt ging aan afstemming en overleg, ondanks dat dit ten koste gaat aan de diversiteit van invalshoeken. Dus een klein kernteam met meer tijd en die wel mensen ‘van buiten’ betrekt voor input. De student als partner werd vanwege frisse en deskundige blik enorm gewaardeerd. Tip dus! Het werkveld werd pas op het laatste moment betrokken. Hun advies is hen eerder te betrekken. Ik weet uit mijn ervaring bij de curriculumontwikkeling van bacheloropleiding HBO-V dat zij dat al heel goed doen. Dit wordt van beide kanten enorm gewaardeerd.

Een andere tip is teksten visualiseren in tekeningen, schema’s en tabellen. Dit werkt ook beter in communicatie naar andere toe.

To scrum or not to scrum

De ontwikkelmethodiek scrummen bracht hen overzicht. Het werken met scrumboard gaf duidelijkheid, waardoor prioritering in taken kon worden aangebracht. Scrummen zette hen ook actief in beweging, geen eindeloos overleg over visie. Door visie te schetsen, ging ontwikkelen en visievorming gelijktijdig en versterkten elkaar.
Door met overzichtelijke deadlines te werken (periodes van 4 weken) waarin tussenproducten opgeleverd moesten worden, werd de alles-of-niets deadlines vermeden. Ook in bijeenkomsten werd met ‘timeboxen’ gewerkt waardoor in weinig tijd veel gedaan. Taakverdeling werd duidelijk en teamleden werden ingezet op hun kwaliteiten. Vertrouwen dat zij goede dingen opleveren, werd tijdens het proces geleerd. Iedereen heeft een andere werkaanpak.

Ze zijn (terecht!) trots op het resultaat. Ze hebben duidelijk wat nog op de planning staat. Scrumdiscipline is nog wel een ‘dingetje’. Maar elke keer als ze daarvan afweken, ontbrak overzicht. Het was hard werken (buffelen). Maar aan het eind van elke scrumsprint was er moment van trots en nieuwe inzichten. Het scrummen was voor hen een nieuwe ontwikkelmethodiek waardoor zij allemaal beginnende scrummasters waren. Met meer begeleiding was dit proces gemakkelijker geweest.

Eindconclusie van Petra:

To Scrum or not to scrum is voor mij geen vraag meer. Bij vergelijkbare projecten zou ik Scrum graag weer inzetten. Het (leren) Scrummen is een pittige klus, zeker als je dat doet terwijl je aan een even pittig project werkt. Scrummen heeft ons echter zó geholpen uit onze vaste patronen te stappen en tot resultaat te komen dat ik de worsteling er graag voor over had.

Wat is er van opgepikt heb, is dat een klein ontwikkelteam met genoeg samenwerktijd het beste werkt. Dat je studenten en werkveld op geregelde momenten moet bevragen/betrekken. Dat visueel overzicht en werken met tussentijdse deadlines belangrijk is om de vaart er in te houden. Onderlinge en ‘naar buiten’ communicatie en vertrouwen cruciaal zijn.

Mooi en bedankt dat je dit gedeeld hebt, Petra!
Groet,
Judith

Ontwikkeltijd #onderwijsontwerpen

Je herkent het wel Marcel, denk ik. De hectiek. Het vliegen en rennen. Niemand lijkt tijd te hebben. En we willen zoveel: nieuwe curricula ontwerpen, blended leren, leren en werken met ict-tools, etc etc. Het (her)ontwerpen van curricula vergt een zekere bekwaamheid. Dat betekent ook dat we zelf moeten leren en ontwikkelen. Maar waar creëren we de ruimte in onze volgeplande agenda’s?

Tijd, inspanning, aanmoediging, rust is nodig. Hoe geef je als onderwijsinstelling, als Zuyd invulling aan ontwikkeltijd? Waar moet je aan denken als je een lerende organisatie wilt zijn? In een artikel Ontwikkeltijd. Hoe richt je dit in? op de website Leerling 2020 geven drie ervaringsdeskundigen adviezen.

  • Rooster bijeenkomsten in
    “Heel belangrijk, in het onderwijs is je tijd versnipperd, het vervliegt. Zeker als het gaat om ontwikkelen. Daar heb je duidelijk vastgestelde momenten voor nodig.”
  • Geef tijd om te oriënteren
    “Het kost tijd om je in het begin te oriënteren, scholen te bezoeken en met elkaar te discussiëren en een mening te vormen. De projectgroep heeft een jaar lang, een dagdeel per week nodig gehad om uitgangspunten te formuleren, uit te werken wat hiervoor nodig is en om een leerjaar van het nieuwe vwo uit te werken.”
  • Structuur gedachten
    “Ik denk dat het schrijven van zo’n plan wel mensen afschrikt, maar waarschijnlijk voornamelijk de mensen die wel graag ontwikkeltijd willen maar niet goed weten waarvoor ze het nodig hebben. De docenten die wel een idee hadden over waar ze mee aan de slag wilden, werden door het schrijven van dit plan gedwongen om hun gedachten te structureren en na te gaan wat ze wilden gaan doen en vooral wat ze daarvoor nodig hadden.”

De VO-raad heeft in 2016 geadviseerd fulltime docenten 100 uur extra ontwikkeltijd te geven.

Herkenbare adviezen. Alhoewel plannen schrijven voor mij ook een blog schrijven mag zijn 😉 Het gaat er om dat je nadenkt over wat onderwijs ontwerpen vraagt en met zich meebrengt. Door dat op te schrijven structuur en openbaar je je gedachten.

Het onderzoeken, oriënteren op onderwijskundig ontwerpen heeft inderdaad tijd nodig. Bedenktijd. Praattijd. Bezinktijd. Vaak nemen we deze tijd niet. En dan krijgen we de gevolgen als een boemerang terug. Het pleit voor tijd en rust, iets dat we binnen ZOEC willen creëren. Geclusterde, geoormerkte tijd voor het ontwerpen van (blended) onderwijs en niet ontwerpen in een hier en daar gesprokkeld uurtje. Dat werkt niet. Ik heb het vaak genoeg ervaren.

De opleiding Financieel Management biedt haar docenten ontwikkeltijd voor het herontwerpen van hun curriculum. Op het blog van Ilse Meelberghs kan je hun expeditie Binnenste Buiten volgen. Een mooi voorbeeld, zeker ook omdat zij ook een vast moment in de week hebben om gezamenlijk aan dit proces te werken.

Op de Bildungskalender 31 januari 2017 las ik onderstaande tekst van een Belgische onderwijsdirecteur Ronny Vanderspikken. Toepasselijk. Dit gun ik ons.

Judith

stocksnap_ll817bl9cs

CC0 Stephen Ellis

Een rivier legt zeker drie keer de afstand af tussen bron en zee.
De rivier gaat niet rechtdoor, maar meandert, neemt bochten,
gaat af en toe langs een hindernis … Geruststellend!

Boeiende kronkels, moeilijke kronkels, soms te veel kronkels<
soms heel mooie kronkels, …
maar altijd met de geruststelling dat we samen wel een weg
zullen vinden.

Gun jezelf veel ruimte en vertrouwen
om zelf te ‘meanderen’ en
om anderen te laten ‘meanderen’.

Rust, filosofie voor onderwijsontwerpen

Werk vanuit een ontwerpfilosofie: een filosofie van rust creëren, zodat je je druk kunt maken om de inhoud.
Harald Dunnink

Hi Marcel,

Bovenstaande citaat stond zondag in de Bildungskalender. Dit is een scheurkalender met elke dag een uitspraak over onderwijs, toegelicht door een expert. De toelichting op dit citaat werd gegeven door Luc Sluijsmans (ja, broer van 🙂 ). Harald Dunnink schreef een jaar geleden in De Correspondent het artikel Rust, een ontwerpfilosofie voor de digitale tijd.

Als we binnen ZOEC over curriculum ontwerpen spreken, gaat het vaak over rust en tijd nemen voor het ontwerpproces. We zien dat ontwerpteams dit niet hebben. Deze willen we ze binnen ZOEC bieden. Onderstaande inspirerende ontwerptips van Harald Dunnik bieden een hiervoor een mooi startpunt.

De basis: een rijk aanbod dat rust uitstraalt

  • Rond maken: Maak een eenheid van je ontwerp. Zorg voor samenhang.
  • Helderheid creëren: maak het niet moeilijker dan het is, de kracht zit in de eenvoud.
  • Context geven: inzicht begint met begrip, informeer je. Elk ontwerp begint met goed onderzoek.

De aanpak: rust om te wegen

  • Bewust investeren: vooruitkomen is samen stilstaan bij keuzes. Focus en selectie sturen niet alleen het ontwerpproces, maar ook mét wie je werkt en vóór wie.
  • Inzet beschermen: blijf in gesprek over de uitvoering. Bescherm de kwaliteiten van je team door vooraf goede afspraken over vorm, techniek en ideeën te maken.
  • Gebruikers koesteren: blijf je bewust van de groep voor wie je ontwerpt en waarom. Blijf nieuwsgierig.

De groei: berusten in rusteloosheid

  • Oneindig bouwen: er is altijd ruimte voor verbetering. Een ontwerp is nooit af.
  • Interactie omarmen: leg verbinding met de buitenwereld.
  • Ongeremd creëren: blijf groots denken en klein werken.

Judith

Samenhang der dingen

Hi Marcel,

Jij, ik, zien, zoeken en vinden verbindingen. Ik heb gemerkt dat als je onderzoek doet, dat dit een lastige eigenschap is 😉 . Als je onderwijs ontwerpt is het juist handige eigenschap omdat het dan goed is te realiseren dat alles met elkaar in verbinding staat.

Deze week hadden we weer een inspirerende ZOEC-sessie. Dit keer was Jan van den Akker onze gast. De man van hét spinnenweb. Je weet misschien nog dat ik dit model gehanteerd heb (als opdracht van mijn MLI studie) bij het analyseren van het curriculum van de faculteit ICT en het herontwerpen een open online cursus basis wiskunde. Bijzonder leuk om nu samen met hem om de tafel te zitten en te praten over onderwijs ontwerpen en ZOEC.

Het spinnenweb model heb ik onlangs ook kort beschreven voor het Blended Learning model waar we binnen het lectoraat technologie-ondersteund leren over nadenken. Misschien goed om het model in dit blogbericht ook nog toe te lichten.

SPINNENWEB

Van den Akker onderscheidt verschillende curriculaire verschijningsvormen. Deze zesdeling is gebaseerd op het werk van John Goodlad. Deze indeling kan een kritisch hulpmiddel zijn tijdens het ontwikkelproces: doen we wat we beogen en bereiken we wat we beogen? Hoe wordt het beoogd curriculum uitgevoerd?

De kern van een curriculum zijn de doelen en inhouden van het leren. Van den Akker gebruikt hiervoor de metafoor van het spinnenweb. In het spinnenweb staat visie of missie van de school centraal, het is de verbindende schakel. De overige onderdelen van het curriculum zijn: tijd, toetsing, leerdoelen, leerinhoud, leeractiviteiten, rol van de docent, leermaterialen, groeperingsvorm en leeromgeving, deze zijn verbonden met die visie. Idealiter zijn ze ook met elkaar verbonden, zodat er sprake is van consistentie en samenhang. De metafoor van het spinnenweb onderstreept volgens Van den Akker het kwetsbare karakter van een curriculum. “Spinnenwebben zijn weliswaar enigszins flexibel maar dreigen toch te scheuren als er te hard en eenzijdig aan bepaalde draden getrokken wordt zonder dat de andere draden meebewegen.” Als je dus één element van het curriculum verandert heeft dit direct gevolgen voor andere elementen binnen het curriculum.

spinnenweb

De aanklikbare versie van het Spinnenweb

Bronnen:

  • Thijs, A., & Van den Akker, J. (2009). Leerplan in ontwikkeling. Enschede: Stichting leerplanontwikkeling (SLO).
  • curriculumontwerp.slo.nl

Interessant is om ook de publicatie over het didactisch concept van de Hogeschool Utrecht over Blended Learning : Onderwijs ontwerpen nog eens te lezen. Hierin zijn de didactische keuzes die hierbij gemaakt kunnen worden verder uitgewerkt.

Terug naar het gesprek met Jan van den Akker …

SAMEN ONTWERPENDE DOCENTEN

Jan stelt het ontwerpdenken van docent centraal. Meer dan onderzoek zit het ontwerpen in de zone van naaste ontwikkeling van docenten. Uit eigen ervaring, maar ook op basis van het concept mapping methode van Hendrik Drachsler blijkt dat er veel te weinig tijd en ruimte is voor onderwijskundig ontwerpen binnen Zuyd. ZOEC beoogt een onderwijskundige community voor kennisdeling te bieden aan ontwerpende docenten. Ontwerpen is tevens een krachtige manier om professionele ontwikkeling te stimuleren.

Visualisatie en simpele taal zoals het spinnenweb kunnen helpen duidelijkheid te scheppen in het complexe proces van curriculum ontwerpen (macro/meso) of onderwijs ontwerpen (micro). Geconcludeerd wordt dat er veel gestapeld wordt in curricula waardoor curricula overvol worden. Keuzes moeten gemaakt worden vanuit een visie. De ‘waartoe?’-vraag moet gesteld worden. Waartoe leiden we op? Dit expliciteren, keuzes legitimeren, visie opnieuw overdenken. Is differentiatie nodig in wat we doen/willen of geldt voor iedere student hetzelfde? De samenhang is belangrijk (“every chain is as strong as its weakest link“), weinige in een team kennen de samenhang. Het spinnenweb helpt om het collectief ontwerpen van teams te stimuleren (zeker mbv het spinnenweb vloerkleed). Het helpt inzichtelijk te maken: waar beginnen we mee? wat volgt? wat kan wachten? Maar het maakt ook het krachtenveld duidelijk: waar heb je invloed op en waar niet op. Het is wenselijk om dat in kaart te brengen. Maar ook om periodiek reflectiemomenten in te voeren en experimenteerruimtes te creëren.

Advies van Jan: “Think big start small“.

Ontwerpuitdagingen voor ZOEC:

  • Op zoek gaan naar veelbelovende inspirerende voorbeelden. Lessons learned. Documenteer niet alleen producten maar ook het proces.
  • Behoeftenonderzoek ; beelden schetsen (‘..zou het niet beter/mooier/wijzer/etc zijn als..’), d.w.z. niet vragen ‘wat denk je nu?’. Een mens weet niet wat hij niet weet! Met empathie je inleven in de behoefte van de eindverbruiker.
  • Literatuurstudie

Het ontwikkelen van een aantrekkelijke ZOEC-omgeving is een zoektocht, waarin continu het leervermogen van de organisatie gestimuleerd / duurzaam gemaakt moet worden, gelet moet worden op taal, begrippen, manier van overdragen op de ander, kennisdeling van curriculumontwikkeling, centraal stellen van onderwijsontwerp, onderzoekmatigheid, cultuur van de docenten. Het zou ook een goede oefening zijn om het spinnenweb als model te hanteren bij het ontwerpen van ZOEC.

Al met al weer een leerzame middag.
Judith

Dank aan Sandra Bösch die van elke bijeenkomst een uitgebreid verslag maak. Handige hulp bij het schrijven van mijn blog 🙂 .

Mijn boekenkast Blended Learning #onderwijsontwerpen

Ha Marcel,

Zoals je weet was ik betrokken bij het Blended Learning project van de faculteit Gezondheidszorg. Sinds een paar maanden ben ik lid van de Projectgroep Blended Learning van Zuyd Professional. Voor de zomervakantie was ik aanwezig bij een bijeenkomst van de projectgroep met ontwikkelaars van het onderwijs voor Zuyd Professional. We zijn allemaal zoekend in het ontwikkelproces. Daarom is het goed dat we datgene wat we nu al doende ontdekken en ontwikkelen met elkaar delen.

Ik kijk ook vaker buiten de hogeschoolgrenzen en deel via de Nieuwsflits en het blog van het I-team interessante publicatie over online onderwijs en blended learning. Het leek me goed om in een blogbericht mijn ‘digitale boekenkast’ te delen.


BL_HUBlended Learning, het didactisch concept van faculteit Educatie van Hogeschool Utrecht. Aan de hand van het spinnenweb van Van den Akker wordt gebouwd aan een leeromgeving waarin gepersonaliseerd leren van de student mogelijk is. In deze online publicatie zijn de didactisches keuzes die hierbij gemaakt kunnen worden verder uitgewerkt.

ICTO blog http://icto.community.zuyd.nl/2016/04/27/blended-learning-volgens-fehu/ 

 


iBookSaxionSaxion heeft het iBook Onderwijs herontwerp samengesteld. Op basis van het ADDIE model (Analyse, Design, Develop, Implement, Evaluate) worden de vragen die bij herontwerpen centraal staan: Wat wil ik bereiken?, Hoe wil ik dat bereiken?, Hoe weet ik of ik dat uiteindelijk heb bereikt? behandeld in deze publicatie.

ICTO blog http://icto.community.zuyd.nl/2015/09/21/ibook-onderwijs-herontwerp/
2beJAMmed https://2bejammed.org/2015/09/22/ibook-onderwijs-herontwerp-van-icto-saxion/

 


radboudumc

Radboud UMC heeft een Inspiratieboek Blended onderwijs: leeractiviteiten en werkvormen uitgegeven. Het boek bevat uitgebreide beschrijvingen voor de toepassing van diverse werkvormen en leermiddelen waarvoor ICT wordt ingezet. Uitgangspunt is het TPACK-model en bij de leeractiviteit staat vermeld voor welk cognitief leerdoelniveau volgens Bloom deze activiteit geschikt is. In de docentenfolder ‘Ideeën voor ICT in het onderwijs‘ geeft een kort overzicht van werkvormen en leermiddelen waarbij ICT wordt ingezet.


bl_ennuonline

Op basis van verschillende blogberichten heeft Ennuonline een ebook gemaakt over het ontwerpen van blended leren. Er worden tips gegeven met betrekking tot:  blended learning modellen, het ontwerpen van een blended traject, structuur, breinprincipes, hoe activiteit te bevorderen.
Het ebook is te aan te vragen door het invullen van je emailadres op de website van Ennuonline.

 

 


blbelgie

Een Vlaams design team (Arteveldehogeschool en lerarenopleiding Augent) heeft een website gemaakt waarin vier stappen tot Blended Learning zijn uitgewerkt. Daarnaast bevat de website vele praktijkvoorbeelden die geordend zijn naar type blend en leeractiviteit.

 

 


De (e)boeken en websites die ik nu heb uitgelicht hebben vooral een praktische inhoud. In mijn boekenkast staan ook nog diverse advies- en onderzoeksrapporten. Mijn inschatting is dat onze ontwikkelaars en docenten vooral behoefte hebben aan handvatten en stappenplannen ter oriëntatie en inspiratie. Ik wil onze collega’s vooral ook willen wijzen op dingen@zuyd.nl. Samen met collega’s Didi en Pieter ben ik hard bezig deze inspiratiebron te actualiseren. Work in progress.

Er zijn online diverse stappenplannen of aanpakken te vinden die je kunnen helpen bij de ontwikkeling van ‘blended learning’, zoals deze van het Studiecentrum voor bedrijf en overheid. Een van de taken van de projectgroep Blended Learning van Zuyd Professional is ook om zo’n stappenplan met onze ontwikkelaars op te zetten. Leuke klus!

Groet,
Judith

By the way: heb jij of één van de lezers van dit blog nog aanvullingen? Ik hoor ze graag! 🙂

Aanvullingen. Dank Eja!

e-mergeThema-pagina Blended Learning van E-Merge
De ervaringen van docenten opgedaan in het E-merge blended learning project hebben geleid tot 10 tips voor het ontwerp van blended learning. Het materiaal is gebundeld en op de site geplaatst.

 


Via blog Wilfred Rubens

Succavanses- en faalfactoren voor institutionele adoptie van blended learning. Masterthesis van Krijn Nagtzaam (Academie voor Deeltijd van Avans). In het rapport beschrijft hij een raamwerk (institutional blended learning adoption framework van Graham cs ) voor implementatie en doet hij aanbevelingen mbt invoering van blended learning.

 


blendedlearningDe website dr. Blend behoort bij het promotieonderzoek van Nynke Bos. Titel proefschrift: Effectiveness of Blended Learning:
Factors Facilitating Effective Behavior in a Blended Learning Environment. Het doel van dit proefschrift was om te bepalen welke factoren effectief gebruik van onderwijstechnologieën vergemakkelijken of belemmeren in een blended learning omgeving. Deze factoren kunnen gerelateerd zijn aan onderwijsontwerp (externe factoren) of zij kunnen gerelateerd zijn aan studentkenmerken (interne factoren).

Wat is de optimale ‘blend’ voor Zuyd (Professional)? #onderwijsontwerpen

Hallo Marcel,

Samen zitten we in de Werkgroep Blended Learning van Zuyd Professional. En we vragen ons regelmatig af: wat is de ‘blend’ van Zuyd Professional? En vanuit mijn rol als I-adviseur stel ik ‘m dan ook nog Zuydbreed. In onze visie op de DLWO hebben we al vastgesteld wat we zeggen te willen: gepersonaliseerd, flexibel, online met meer interactie en co-creatie. Dat stelt nogal wat eisen aan de digitale leer- en werkomgeving. Uiteraard is het onderwijs het vertrekpunt. En we zijn niet de enige die hier mee bezig is. Heel hoger onderwijs zo lijkt het wel. En uniek zijn ook niet hoor. In de vorige week uitgebracht thema-uitgave van SURF worden een aantal kenmerkende onderdelen die in veel onderwijsvisies voorkomen die van belang zijn voor de inrichting van de digitale leeromgeving: flexibel en persoonlijk onderwijs waarbij leeruitkomsten centraal staan, die het leerproces inzichtelijk maakt (zowel voor student als docent), waarbij leerbronnen op maat beschikbaar zijn en een omgeving die het samenwerking ondersteunt. De leeromgeving moet een duidelijke herkenbare smoel hebben en het gebruikersgemak is een niet te onderschatte voorwaarden. Herkenbaar? Voor mij wel. Dat geldt ook voor de genoemde succesfactoren:

  • Leiderschap speelt een doorslaggevende rol. Het veronderstelt een samenspel onder de bestuurders.
  • Instellingsbrede consensus met ruimte voor keuzes op opleidingsniveau.
  • Docenten ontzorgen, ondersteunen maar zeker niet het eigenaarschap weghalen. Verantwoordelijkheden delen.
  • Uiteraard professionalisering niet door een groot cursusaanbod maar door gesprekken en samen te doen.
  • Ondersteuning van pioniers. Enthousiaste pioniers zullen hun collega’s inspireren.

En goed weten wat er in hogeronderwijsland gebeurt en speelt. Fijn dat SURF al deze verhalen en ervaringen deelt. Zo ook het voorbeeld van de HU: De optimale blend voor flexibel onderwijs bij Hogeschool Utrecht. Mooi hoe zij via hun BlendedLab hun ervaringen delen. Ook zij kiezen voor een ontwerpbenadering van het onderwijs met het spinnenweb van Van den Akker als uitgangspunt. In onderstaande compilatie krijg je een goede indruk van hun proces.

Wat betekent dit alles voor Zuyd / Professional? Marcel van der Klink heeft al enkele globale ontwerpprincipes voor studeerbaarheid en doceerbaarheid op papier gezet, die ik heb aangevuld met de ervaringen van Saxion rondom hun onderzoek naar studiesucces. Tevens heb ik eens even gegrasduind in ‘Het gemeenschappelijk model voor flexibel en vraaggestuurd onderwijs’ (april 2016) waarin ontwerpprincipes voor het gemeenschappelijk onderwijsmodel van de deeltijdpilots zijn benoemd. Daaruit is duidelijk dat werkplek en communities een belangrijke plek krijgen in het onderwijs van Zuyd Professional. Ook is duidelijk dat nog geen handen en voeten gegeven is aan de ‘blend’ van Zuyd Professional. Aan een opzet hiervan ga ik morgen werken. Voor mij is het wel van belang dat zowel qua werkwijze als qua ontwerp de uitgangpunten: Samen Open Delen moeten zijn. Wordt vervolgd.

Groet,
Judith

Lessons learned voor studiesucces #onderwijsontwerpen

cc-by-nc-nd mark granitz

Dag Marcel,

In de nieuwe editie OnderwijsInnovatie (juni 2016) van de Open Universiteit las ik een mooi artikel: Ontwerpprincipes als lessons learned voor studiesucces.
Op basis van literatuurverkenningen en eigen onderzoek heeft het lectoraat Innovatief en Effectief Onderwijs van Saxion diverse ontwerpprincipes geformuleerd voor studiesucces voor bacheloropleidingen. Het project Studiesucces had tot doel gehad om de studeerbaarheid van vakken en opleidingen binnen Saxion verder te verbeteren. Het lijkt me een mooie aanvulling op de ontwerpprincipes zoals deze onlangs zijn geformuleerd door onze lector Marcel van de Klink, zie blogbericht Een aanpak voor studeerbaarheid #onderwijsontwerpen.

Zoals ook op de website studiesucceshbo.nl blijkt, houdt het begrip studiesucces meer in dan alleen het rendement van een vak of opleiding. Steeds vaker worden ook factoren als de manier waarop studieloopbaanbegeleiding wordt ingevuld (aandacht voor de persoonlijke of professionele ontwikkeling van de student), de opbouw van het curriculum en de lessen als kenmerken benoemd voor studiesucces.

In dit artikel worden ontwerpprincipes beschreven. Het begrip studiesucces is gerelateerd aan drie thema’s: activerend (inspirerend en motiverend) onderwijs, studieloopbaanbegeleiding en afstuderen.

Activerend onderwijs

Bij activerend onderwijs is de uitleg van een docent beperkt zodat studenten gestimuleerd worden om actiever met de inhoud bezig te zijn. Een drietal thema’s zijn belangrijk bij het bevorderen van de studeerbaarheid van vakken:

  • De ervaren (beroeps)relevantie van het vak

Ontwerpprincipe
Zorg voor de koppeling met de beoogde beroepspraktijk, waardoor de relevantie van het vak duidelijk(er) wordt.

  • De structuur van het vak

Ontwerpprincipe
Zorg voor een duidelijke structuur binnen het vak, zodat de studenten houvast hebben om de vakinhoud eigen te maken. Stem de werkvormen af op de leerdoelen van de les en einddoelen van het vak om een duidelijke lijn tussen de colleges zichtbaar te maken.

  • De studentbetrokkenheid, bv door flipping the classroom. Zorg dat contactmomenten een toegevoegde waarde hebben voor studenten door verdiepende informatie aan te bieden, formatief te toetsen (activeren voorkennis), laten presenteren, discussies aan gaan. Beloon de studenten die de lesstof bestudeerd hebben door niet (alle) lesstof weer opnieuw te herhalen!

Ontwerpprincipe
Zorg voor afwisseling tussen werkvormen om studenten bij de les betrokken te houden. Selecteer werkvormen waarbij studenten een actieve rol hebben waarbij ze uitgedaagd worden om de kennis toe te passen. En zorg dat de lessen een meerwaarde hebben voor de studenten, waardoor ze naar de lessen komen en hier actief in participeren.

Studieloopbaanbegeleiding

SLB wordt gezien als één van de belangrijkste factoren die kunnen bijdragen aan beter studiegedrag, meer motivatie en uiteindelijk meer studiesucces. Op opleidings-of curriculumniveau betekent dit contact onderhouden met je studenten. Zij waarderen dit enorm blijkt uit onderzoek.

Ontwerpprincipes:

  • Neem een actieve rol aan als opleiding om contact te behouden met je studenten en SLB te organiseren gedurende de hele studie. Probeer te organiseren dat elke student dezelfde SLBér houdt gedurende zijn / haar studie (of maximaal twee).
  • Werk aan binding van studenten met de opleiding vanaf het begin af aan (of zelfs voor ze de opleiding zijn gestart! Begeleid studenten vanaf de eerste dag dat ze zijn begonnen aan de opleiding en bied duidelijkheid en structuur.
  • Geef het onderwerp ‘leren studeren’ en ‘loopbaanbegeleiding’een duidelijke plek binnen SLB

Op begeleidingsniveau betekent dit ook het een en ander voor de coach.

Ontwerpprincipes

  • Zorg ervoor dat je als SLB-er interesse toont in, proactief contact zoekt met en betrokken blijft bij je studenten.
  • Bied hulp en begeleiding bij het verkrijgen van structuur en overzicht in de planning van studenten.
  • Confronteer de student ook met zaken die minder goed gaan, houdt ze een spiegel voor en bespreek samen hoe dit op te lossen (waarbij de verantwoordelijkheid van de student zelf duidelijk benadrukt wordt).
  • Bespreek en monitor de studiemotivatie van studenten, ga in op aspecten waardoor de motivatie wellicht is gestegen of juist is gedaald.

Afstuderen

In relatie tot studiesucces betekent dit voor de inrichting en procesgang van afstuderen:

  1. startklaar aan het afstuderen beginnen (workshops/trainingen informatievaardigheden, SPSS, onderzoeksvaardigheden, wetenschappelijk schrijven)
  2. fasering en structuur in het afstudeerproces
  3. helderheid over de afstudeerbegeleiding en bewaking van de voortgang in het afstuderen
  4. begeleide bijeenkomsten tussen peers tijdens het afstudeertraject.

Ontwerpprincipes

  • Geef studenten de mogelijkheid om aan het begin van het afstudeertraject praktische workshops of trainingen te volgen over specifieke (onderzoeks)vaardigheden die zij nodig hebben voor hun afstudeeropdracht.
  • Biedt studenten structuur aan om de afstudeeropdracht uit te kunnen voeren door het proces op te delen in fasen.
  • Informeer de student vooraf over de wijze van begeleiding en het aantal afspraken. Zorg dat de voortgang van het afstudeerproces inzichtelijk is en bewaak de afstudeertermijn door actief in te spelen op vertraging.
  • Verminder het isolement dat studenten kunnen ervaren tijdens het afstuderen door begeleide bijeenkomsten met medestudenten te organiseren.

Net zoals de onderzoekers vind ik veel ontwerpprincipes ‘open deuren’, maar ze blijken nog steeds actueel en relevant te zijn. En hoewel ze geformuleerd zijn voor het bacheloronderwijs denk ik dat ze ook relevant zijn voor de 23+ studenten voor de Zuyd Professional cursisten.

In hun reflectie geven de onderzoekers ook aan dat regelmatig evalueren van onderwijs belangrijk is om daarmee zicht te krijgen op studeerbaarheid en doceerbaarheid. Een goede tip die we binnen Zuyd al aan het uitwerken zijn 🙂

In de eindrapportage van het onderzoek vind je een uitgebreider verslag met handreikingen voor docenten, SLB-ers en opleidingsmanagers.

Groet,
Judith

Het ontwerpen en ontwikkelen van een social MOOC #exploresocial

ExploringSocialLearning

Zoals je weet Marcel heb ik vorig jaar meegedaan aan de MOOC Exploring Social Learning. Marlo Kengen & Petra Peeters, de ontwerpers en moderatoren van deze MOOC hebben een artikel schreven voor het tijdschrift Opleiding & Ontwikkeling (nr. 2, 2016) waarin ze hun ontwerpprincipes en leermomenten beschrijven.

Ontwerpprincipes

Stem zorgvuldig af op de doelgroep
Dit was door de diversiteit van de groep (zowel qua MOOC-ervaring als qua voorkennis, werkervaring) lastig, daarom werden zowel funderende als verdiepende en theoretische als praktische bronen aangeboden. Tevens werd alleen Curatr als leeromgeving gebruikt en niet van andere sociale media. En er werd nauwelijks gebruik gemaakt van de beschikbare spelelementen in het platform Curatr.

Werk vanuit heldere doelen
Deze waren tweeledig: inhoudelijk over social learning en gerelateerd aan de leervorm (kennismaken met toepassingsmogelijkheden van MOOC en leren cureren).

Maak deelname laagdrempelig
De MOOC was gratis en kort (4 weken) en een tijdsinvestering van 2à 3 uur per week. Wekelijks werden vijf tot acht bronnen (zoals artikelen, blogs, etc.) aangeboden en bij elke bron werd een inschatting van de benodigde tijd gegeven. Tevens in een paar zinnen werd de bron beschreven.

Creëer een heldere opbouw
Een heldere opbouw biedt deelnemers zicht op waar ze nu mee aan de slag gaan en wat verderop volgt. Het doel was nieuwsgierigheid te prikkelen.

Bied afwisseling in bronnen
Om tegemoet te komen aan verschillen in de doelgroep werden blogs, animaties, websites, fi lmpjes, artikelen, infographics en hoofdstukken uit boeken ingezet met een mix van ‘staande kennis’, meningen en praktijkervaringen.

Werk met vragen
Bij elke bron was een vraag geformuleerd om deelnemers aan het denken te zetten en om discussie binnen het platform op gang te brengen.

Plan contact
W
ekelijkse werden e-mails verstuurd om deelnemers betrokken te houden. Hierin werd ook teruggekeken op interessante discussies in de week daarvoor.

Uitgangspunten voor het modereren

De moderatoren Petra Peeters en Marlo Kengen hebben de MOOC top begeleid, schreef ik al eerder. Snelle reacties, verdiepende vragen, goed hoor. Het kostte hen minimaal 1 à 2 uur per dag.

  • Deelnemers verwelkomen
    De eerste vraag in de MOOC was: ‘Stel je voor! Veel deelnemers werden persoonlijk welkom geheten door bijvoorbeeld hun naam te gebruiken en hen, aansluitend bij hun toelichting, succes te wensen of verder te helpen. Hier werden deelnemers en moderatoren ‘zichtbaar’ en werd de basis gelegd voor verdere bijdragen en discussies.
  • Verdiepen door doorvragen
  • Verbinden. Door de vele reacties was het voor deelnemers lastig om overzicht te houden. De moderatoren verwezen mensen naar elkaar.
  • Uitnodigen. Auteurs van verschillende bronnen modereerden ook hun eigen materiaal.
  • Bijdragen waarderen. Er was veel aandacht aan het sociale aspect van de MOOC.
  • Snel actie ondernemen
  • Autonomie stimuleren

Lessons learned van de moderatoren

Stuur bij
Je leert de behoeftes van de deelnemers kennen door hun reactie en de analytics van het platform te gebruiken. Gebruik deze input. Tackel ook snel bij technische problemen.

Vragen als katalysator voor het leren
Door vragen te stellen bij de aangeboden bronnen wordt het leren verdiept. De ontstane discussie ondersteunt ook het sociale leren.

Kies bronnen bewust
Omdat het een gegeven is dat activiteiten minder worden gedurende de MOOC worden eerste bronnen vaker bekeken. Selecteer daarom eerder minder dan meer bronnen.

Autonomie komt niet automatisch
Er was geen verplichting om alles te lezen of om alle vragen te beantwoorden. MOOC werd niet afgerond met een toets. Weinig deelnemers maakten eigen keuzes, passend bij hun doelen en agenda. De meeste lazen alles (vrij schools) in de aangeboden volgorde. De volgende keer zal expliciet aandacht besteed worden aan autonomie van leren.

Het behouden of loslaten van overzicht
Het Curatr platfom kan aan sociale kracht winnen door meer zoekmogelijkheden aan te bieden, en ook door de opties voor het ordenen van bijdrages en volgen van deelnemers toe te voegen

Heb vertrouwen
Als moderator moet je vertrouwen hebben en durven los te laten.

En zoals Marlo en Petra tot slot opmerkten:

Er werd gezamenlijk en vanuit gelijkwaardigheid geleerd door mensen van alle niveaus, achtergronden en contexten. Samen met de open en positieve grondhouding bij het modereren zorgde dit voor een vruchtbare omgeving voor sociaal leren over social learning.

Een ervaring die ik elke deelnemer van een MOOC, student in het reguliere onderwijs of profesional die vanaf september een Zuyd Professional leereenheid gaat volgen, van harte gun.

Judith

Een aanpak voor studeerbaarheid #onderwijsontwerpen

Hallo Marcel,

Onlangs heeft ons College van Bestuur ingestemd met het voorstel van Marcel van der Klink, lector van het lectoraat Professionalisering van het Onderwijs, voor een aanpak voor studeerbaarheid en doceerbaarheid. Graag wilde ik deze notitie breder delen omdat de ontwerpprincipes die hij hierin opsomt dat waard zijn! De notitie bepleit ook het blijven leren van elkaar. Ik hoop dat hiervoor ook de online mogelijkheden worden gebruikt 🙂 .
Met instemming van Marcel heb ik zijn notitie samengevat. Deze samenvatting is (met literatuurlijst) eerder gepubliceerd op icto.community.zuyd.nl .

Groet,
Judith

student-849825_1920

Samenvatting van de nota van Marcel van der Klink
‘Een aanpak voor studeerbaarheid’ (11 april 2016)

Op vele opleidingen worden curricula herzien en wordt  gewerkt aan het verbeteren studeerbaarheid. Een studeerbaar curriculum zorgt er voor dat zoveel mogelijk studenten binnen de reguliere (en gefinancierde) opleidingsduur een diploma verwerven, waarbij ze gedurende de opleiding alle competenties verwerven die voor een entree en eerste loopbaanfase in hun professie essentieel zijn. Studeerbaar betekent ook dat de opleiding wordt ervaren als een niet overladen curriculum met herkenbare samenhang binnen en tussen de opleidingsonderdelen. Een studeerbaar curriculum zorgt er tevens voor dat studenten tevreden zijn over hun studie, het draagt bij aan hun opleidingsmotivatie en hun betrokkenheid en het zorgt er voor dat studie-uitval tot een acceptabel niveau wordt teruggebracht. Het blijkt dat we steeds harder werken (hoge werkdruk bij docenten) voor minder resultaten (hoge studie-uitval).

Marcel van der Klink heeft op basis van publicaties van o.a. Dochy, Van der Akker, Kessels en eigen onderzoek principes voor een studeerbaar en doceerbaar curriculum geformuleerd. De principes zijn ingedeeld in principes voor de inrichting van het curriculum en voor het proces van het ontwerpen van het curriculum. In zijn inleiding schrijft Marcel:

Er wordt wel eens beweerd dat er als opleiding niet veel aan is te doen, omdat vooral student-gebonden kenmerken verantwoordelijk zijn voor studeerbaarheid. Alsof studeerbaarheid een natuurverschijnsel is en we daar geen vat op kunnen hebben. Dat is veel te kort door de bocht geredeneerd en veronachtzaamd dat wij zelf daar een verantwoordelijkheid in moeten blijven nemen, en ons laten informeren door onze eigen ervaringen, ervaringen bij andere hogescholen en door de groeiende wetenschappelijke literatuur. Dat we aan studeerbaarheid blijven werken verwacht de overheid, de maatschappij en ook onze (toekomstige) studenten van ons. En dat verwachten we ook van onszelf daar we binnen Zuyd het adagium hanteren dat we er alles aan doen om iedere student te helpen een gewilde professional te worden!

Onderstaande principes bieden essentiële input voor de inhoud van visiedocumenten, voor de kaders die ontwikkelteams krijgen aangereikt, en voor het uitwerken ervan in allerhande onderwijsmaterialen. Daarnaast zijn deze principes bruikbaar als evaluatiecriteria voor curricula om de mate van studeerbaarheid vast te stellen. De principes voor het ontwerp van het curriculum geven sturing aan het ontwerpproces voor het (her)ontwerpen van curricula. Het toepassen van deze principes is niet alleen bevorderlijk voor de studeerbaarheid van onze opleidingen, maar zorgt ook voor doceerbaarheid en reduceert tevens de onderwijslogistieke complexiteit.

Principes voor het inrichten van het curriculum

    1. Programmeringsprincipe opleiding:
      Werk met grote onderwijseenheden. Zorg voor evenredige spreiding studielast (inclusief toetsmomenten) over het jaar. Voorkom dat studenten meer dan twee opleidingsonderdelen naast elkaar moeten volgen.
    2. Programmeringsprincipe per blok:
      Congruentie waarborgen: De link tussen inhoud, didactiek en toetsing moet helder zijn voor studenten en docenten.
      Duidelijkheid en transparantie: Maak helder wat je van studenten verwacht en op welke criteria studenten worden beoordeeld.
      Toetsmomenten: Programmeer per blok niet meer dan 1 summatieve toets, onderzoek de mogelijkheden voor (vrijstellende/compenserende) deeltoetsen maar voorkom het gevoel van een hordeloop.
      Aansluiting bevorderen: activeer vereiste voorkennis uit voorgaande blokken. Zorg voor aansluiting tussen binnenschools en buitenschools leren en vice versa.
    3. Didactisch principe:
      Beperk college-achtige activiteiten ten faveure van activerende en kleinschalige activiteiten die studenten aanzetten tot leren. Laat studenten (in groepen) werken aan (zelfgekozen) vraagstukken die ontleend zijn aan de beroepspraktijk. Intensiveer contact tussen docenten en studenten, onder andere door frequente feedback op inhoud en leerproces. Organiseer een blend van activiteiten: Programmeer vanuit principe van wat digitaal kan en wat f2f moet. Varieer in activiteiten: Dat maakt het voor studenten én docenten aantrekkelijk.
    4. Integratief principe:
      Generieke competenties (zoals studievaardigheden en 21st century skills) dienen vanaf dag 1 in het curriculum aandacht te krijgen, niet door het apart te programmeren in cursussen of in de studieloopbaanbegeleidingsgesprekken maar juist door het te integreren in de vakinhoudelijke opleidingsonderdelen.
    5. Acteer op heterogeniteit:
      Verwerf diepgaande kennis over de studentpopulatie in termen van belangstelling, talent, leerstrategieën, voorkennis, wensen, ervaringen, studiesucces van (subgroepen) van studenten. Maak duidelijk hoe de opleiding acteert op de heterogeniteit in de studentpopulatie vanuit het perspectief van het bieden van optimale studeerbaarheid voor alle studenten.

Principes voor het ontwerptraject van curricula

    1. Hanteer een ontwerpmethodiek die recht doet aan curriculumontwikkeling als:
      • Cyclisch en iteratief proces: Met als fasen analyse, ontwerp, ontwikkeling en evaluatie;
      • Evidence-informed proces: Besluiten op basis van evidentie;
      • Integratief proces: Acteren op de samenhang tussen de vraagstukken in een curriculum;
      • Participatief proces: Betrokkenheid van stakeholders doorheen het gehele ontwerpproces;
      • Continue leerproces: Ontwerpen door al doende toewerken naar het optimale curriculum.
    2. Teams van docenten:
      Zorg dat docenten in een klein team als collectief (en niet als optelsom van individuen) een opleidingsonderdeel ontwerpen, uitvoeren, evalueren en bijstellen. Dat bevordert eigenaarschap en kwaliteit van het onderwijs. Het biedt tevens docenten meer werktevredenheid, mogelijkheden om van en met collega’s te leren en meer mogelijkheden om verschillende taken en rollen te vervullen.
    3. Klimaat:
      Heb vertrouwen in je studenten en in je collega’s. Koester hoge verwachtingen van elkaar en laat dat regelmatig weten. Blijf met elkaar in gesprek.

Het Lectoraat Professionalisering van het Onderwijs gaat enkele opleidingen ondersteunen om van deze principes naar een  programmatische aanpak te komen. Tijdens de regelmatige evaluaties draait het primair om:

  • Vaststellen van de mate waarin het beoogde herontwerp daadwerkelijk wordt geïmplementeerd
  • Inzicht krijgen in de realisatie van de beoogde projectdoelen (studeerbaarheid en doceerbaarheid)
  • De tijdsperiode: De evaluaties beperken zich niet tot de projectperiode. Ook na afronding van de projectperiode wordt gemonitord hoe de studeerbaarheid en doceerbaarheid van de desbetreffende opleiding zich nadien ontwikkelen.

Uiteraard is er nadrukkelijke aandacht voor de bemensing van de projectteams. Tot de projectoverstijgende activiteiten behoort het doen van voorstellen voor Zuyd-brede richtlijnen voor de omvang van blokken, parallelle programmering van blokken, aantal toetsen per blok en andere maatregelen op Zuyd-niveau die nodig zijn om de optimale kaders voor studeerbaarheid te scheppen.

Om er voor te zorgen dat we van en met elkaar kunnen blijven leren over studeerbaarheid, ook op programmaniveau en Zuyd-breed, zijn projectoverstijgende activiteiten noodzakelijk, zoals presentaties, masterclasses, curriculum design labs, excursies, studiereizen.

Leertheoretische kenmerken bij training communicatieve vaardigheden #gastblog

Hi Marcel,

Vorige week zag ik een enthousiaste tweet van onze collega van de faculteit Social Work Didi Joppe (@ditoma3). Ze had een 8 voor haar artikel ‘Ontwerpen van leersituatie, theoretische kaders’! Geweldig! Ik vroeg natuurlijk meteen om een gastblogje 🙂 Zo’n artikel past natuurlijk wel in de serie #onderwijsontwerpen.

Didi volgt de master Onderwijswetenschappen van de Open Universiteit. Tijdens de laatste module moest ze de praktijksituatie, in dit geval een geobserveerde training communicatieve vaardigheden, koppelen aan de leertheorieën (behaviorisme, cognitivisme en constructivisme) en beschrijven in een artikel. Ze heeft het 4000 woorden tellend artikel voor dit blog teruggebracht tot onder de 1000!

Dank voor deze samenvatting en het delen van je bevindingen op ons blog, Didi!
Groet,
Judith

OUR 2bejammed GUEST: Didi Joppe

communication

CC-BY-NC Joan M. Mas

Inleiding

Het werken met mensen in bijzondere omstandigheden zoals binnen de schuldhulpverlening, jongeren met gedragsproblematiek en cliënten met een psychiatrische stoornis, vergt specialistische kennis en vaardigheden. Een Social Worker richt zich op het begeleiden, hulpverlenen en coachen van mensen in dit soort situaties (http://www.zuyd.nl/studeren/studieoverzicht/social-work). Het voeren van een professioneel gesprek met een cliënt is één van de vakgebieden op de opleiding Social Work van Zuyd Hogeschool in Sittard. Hiervoor is de leerlijn, ‘Communicatieve vaardigheden en methodiek generiek’ ontwikkeld voor de propedeutische fase.

De onderwijsvisie van Social Work is gebaseerd op het sociaal-constructivisme. De lerende construeert kennis om de eigen ervaringen te begrijpen en op basis hiervan een eigen interpretatie van de wereld op te bouwen (Driscoll, 2014; Ertmer & Newby, 1993). Gedrag is situationeel gedetermineerd en het is essentieel om kennis te verankeren in de situatie waarin de lerende het moet gebruiken (Ertmer & Newby, 1993). In de opleiding krijgen deze uitgangspunten vorm door te werken met praktijkgerichte casuïstiek in oplopende moeilijkheidsgraad. Het moduul bereidt de student voor op het het voeren van een simulatiegesprek met een antagonist in de rol van burger, waarin hij zijn luister- en gespreksvaardigheden moet demonstreren. Het doel van dit moduul is te kenmerken als behavioristisch gericht, namelijk het aanleren van gewenst en observeerbaar gedrag. Dit is in tegenspraak met de sociaal-constructivistische onderwijsvisie. Dit leidt tot de onderzoeksvraag: Welke uitgangspunten van leertheorieën (behaviorisme, cognitivisme en sociaal-constructivisme) zijn te herkennen tijdens een 1,5 uur durende training sociale-en communicatieve vaardigheden voor eerstejaarsstudenten van de opleiding Social Work van Zuyd Hogeschool in Sittard?

Resultaten

Na de observatie zijn eerst alle instructiekenmerken uitgewerkt en gekoppeld aan de verzamelde data. Instructiekenmerken zijn onder meer doelstellingen van het moduul, didactische werkvorm, leerstof, organisatievorm en context. De onderzoeksvraag was echter gericht welke leertheoretische kenmerken te herkennen zijn.

Behaviorisme

Vaak wordt gewenst gedrag door een lerende niet spontaan vertoond (Valcke, 2010) en heeft de lerende hints nodig (Burton, Moore & Magliaro, 2004; Driscoll, 2014). De bekrachtiging op een respons is van groot belang (Driscoll, 2014; Roessger, 2012), een positieve bekrachtiger, zoals “goed gedaan” zorgt voor versterking en herhaling van gewenst gedrag. In de onderwijsgroep is ruimte om te experimenteren met gedrag, een aanname van het radicaal behaviorisme waar experiment en observatie een cruciale rol spelen in het ontwikkelen van functioneel gedrag (Driscoll, 2014; Roessger, 2012). Studenten oefenen met casuïstiek en proberen op verschillende manieren wat het beste werkt. Op deze manier leren de studenten eenzelfde respons te geven op gelijksoortige stimuli, bekend als generalisatie (Brysbaert, 2006; Burton et al., 2004).

Cognitivisme

Het leren van procedurele kennis, zoals een hulpverlenend gesprek, vergt investering van tijd en energie. Kennis compileren en omzetten is een langdurig proces. Hierin doorloopt de lerende een aantal fasen van beginner naar gevorderde (Winn, 2004). De student heeft in deze fase van de opleiding al enige voorkennis, maar tegelijkertijd zijn de inhoudelijke eisen verhoogd. In dit OLP moet de student méér verschillende vaardigheden integreren bouwend op eerder geleerde vaardigheden. Zo is elke fase voorwaardelijke voor de fase erna (Wong & Kang, 2012) en groeit de student van novice naar advanced beginner (Winn, 2004).

Constructivisme

Door verschillende rollen aan te nemen tijdens het oefenen maakt de student kennis met verschillende perspectieven. Er is sprake van verschillende representatievormen (Ertmer & Newyby, 1993) in een sociale context waarbij hij eigenaarschap neemt over zijn eigen leerproces (Asal & Kratoville, 2013). Door verschillende en authentieke casuïstiek aan te bieden kan de student experimenteren met gedrag. Fouten maken mag en leidt tot meer inzicht. Op deze manier doet de lerende nieuwe en situatie specifieke inzichten op (Duffy & Cunningham, 1996; Ertmer & Newby, 1993). De oplopende moeilijkheidsgraad van de casuïstiek daagt de student uit gedrag te laten zien die hij nog niet beheerst, het leerprincipe ‘de zone van de naaste ontwikkeling’ (Vygotsky) (Driscoll, 2014).

Conclusie en discussie

In de training en in het moduleboek zijn alle drie de leertheorieën te herkennen. De leerstof bestaat uit authentieke casuïstiek. Tijdens de trainingen is er sprake van experimenteren, observeren en samenwerkend leren in subgroepen, allemaal kenmerken van (sociaal)-constructivistisch leren (Duffy & Cunningham, 1996; Valcke, 2010). Door te oefenen met verschillende casuïstiek treedt er generalisatie op. Met hints of discriminatieve stimuli lokt men gewenst gedrag uit. Dit zijn behavioristische principes die het leerproces vormgeven (Burton et al., 2004; Driscoll, 2024). De cognitivistische leertheorie is te herkennen door de nadruk op structurering, organisatie en volgordelijk verwerken van informatie. De lerende heeft een actieve rol in zijn eigen leerproces. Er is sprake van mastery learning en het verwerven van procedurele kennis (Winn, 2004).

De opzet van het moduul en geobserveerde training is weliswaar constructivistisch, de doelstellingen van het moduul zijn gericht op observeerbaar gedrag en hiermee behavioristisch. Het is de vraag of de samenstelling van de subgroepen de beste organisatievorm is voor de student. In plaats van de studenten zélf de subgroep te laten samenstellen, zou het beter zijn om deze samen te stellen uit één novice en één advanced beginner. Op deze manier kan de novice via modeling leren van de advanced beginner. Dit soort samengestelde groepen heeft een positief effect op de motivatie en houding van de lerende (Hamilton & O’Hara, 2011).

Te stellen is dat het moduul ‘Communicatieve vaardigheden en methodiek generiek’ voor het grootste deel sociaal-constructivistisch is opgezet en hiermee recht doet aan de onderwijsvisie van de opleiding Social Work. De nadruk op samenwerkend leren en reflectie vraagt veel van de trainers. De vraag is in hoeverre zij bekend zijn met deze kenmerken en welke eisen dit stelt aan hen als trainer. Momenteel is er veel variatie tussen de trainers, er zijn zowel beginnende als ervaren trainers. Als de opleiding wil dat afgestudeerde studenten op het niveau van competence of proficiency (Winn, 2004) functioneren, moet op beleidsniveau vastgelegd over welke kennis en vaardigheden een trainer dient te beschikken.

Referentielijst [pdf]

Joppe, D. (2016). Leertheoretische kenmerken bij een moduul Communicatieve vaardigheden en methodiek generiek. Heerlen: Open Universiteit.

Reacties op dit artikel zijn welkom onder dit blog. Meer informatie over het onderzoek, mail naar: didi.joppe@zuyd.nl

%d bloggers liken dit: