Auteursarchief: Judith van Hooijdonk
Hackathon werkplekleren in de zorg op 11 en 12 december
Hallo Marcel,
Ik had je al eerder iets willen vertellen over de Evolva. Misschien heb je er al eens van gehoord? Het is een samenwerking tussen Cofely, Daelzicht, Gilde Opleidingen, Kersten Hulpmiddelenspecialist, Pergamijn, SGL, Zorg aan Zet, ZorgTechniek Limburg én Zuyd. Mijn collega’s Rienke en Harry zijn ook betrokken dit werkplekleren 3.0 initiatief. Op Zuydnet las ik over de hackathon die op 11 en 12 december plaats vindt. Een mooie aanleiding om nu dit blog te schrijven.
Mooi dit initiatief voor de hackathon. Docenten en studenten zijn uitgenodigd om samen ‘het nieuwe leren’ en ‘het nieuwe waarderen’ vorm geven door voorbeelden uit de praktijk te delen, te luisteren naar elkaar en samen te leren!
Op hun werkelijk mooie informatieve website beschrijven ze hun ambitie mbt werkplekleren3.0. Zij zien dat naast het leren op de werkplek dit ook vooral plaatsvindt in een virtuele samenwerkingsomgeving. Het gaat om teamleren, informeel leren en digitaal leren. Hoe dit allemaal vorm moet krijgen, weten ze ook nog niet precies. Maar ze doen! En delen hun proces en voortgang via de website. Wel jammer dat de berichten geen social links bevatten, is voor mij wel voorwaardelijk voor informeel/sociaal leren 🙂 . De nieuwsbrief bevat gelukkig een RSS-feed, die is toegevoegd in mijn eigen RSS-krantje Feedly.
Klik maar eens door de site, dan vind je ook een blogbericht van Frits Benjamins en Marcel van der Klink. En kan je korte informatieve filmpjes zien over team leren, informeel leren en onderstaande over digitaal leren.
Goed bezig bij Evolva!
Judith
Bezocht. De Onderwijsdagen #OWD2015
Eindelijk tijd om ook nog een persoonlijk blogje te schrijven over Dé Onderwijsdagen. Ik heb de afgelopen dagen al wel het een en ander (inhoudelijk) geblogd op ons MOOCZI-blog en het icto.community-blog.
Tsja Marcel en dan ben ik toch naar een pre-conferentie van Dé Onderijsdagen over Learning Analytics (zie icto.community-blog). Voor velen is dit onmisbaar bij de trend ‘onderwijs op maat’, het flexibel en gepersonaliseerd leren. Mijn weerstand tegen ‘het alles meetbaar maken’-cultuur opzij proberen te zetten en me van 13.00 tot 18.00 ondergedompeld in de wereld van getallen. Dat het een hot item is in onderwijswereld was wel te zien aan het feit dat deze middag met de aanwezigheid van 300 onderwijsmensen ‘uitverkocht’ was. Ik moet zeggen dat mijn sceptische houding niet echt veranderd is. Mijn haat-liefde verhouding met data blijft 🙂 .
Er wordt en is al veel onderzoek gedaan, lieten Hendrik Drachsler (OU) en Niall Sclater (Jisc) zien, maar de echt overtuigende voorbeelden heb ik niet voorbij zien komen. Ja, ik heb mooie dashboards gezien, die me deden denken aan het studentenonderzoek uit onze Zuydpleintijd. Over het gebruik van open dashboards kan je meer lezen via Apereo Learning Analytics Initiative LAI.
De laatste 2 sprekers: internetjurist Arnoud Engelfriet en wiskunde-meisje en getallendiva Ionica Smeets bespraken de vele haken en ogen aan het verzamelen en interpreteren van data. Het is zo complex. Door de privacywet (het recht om met rust gelaten te worden!) is het verzamelen van persoonsgegevens niet zo gemakkelijk. We overtreden conitnu de wet bescherming persoonsgegevens, zo leek het wel. Als we dan eenmaal die data in huis hebben (Arnoud Engelfriet) dan is het analyseren van die data ook geen sinecure (Ionica Smeets). Heb je wel eens gehoord van de Simpsons paradox? Nou hou er rekening mee want kleine effecten hebben grote gevolgen in grote groepen. Pas op met het combineren van je cijfers. En voor je promotie-onderzoek: P<0.05 is niet heilig en aan gemiddeldes heb je niet veel. Dus gewoon je gezonde verstand gebruiken dan maar? Haar kernboodschap was meteen de conclusie van deze middag: “denk na goed na!”.
Dag 2 stond voor mij vooral in het teken van netwerken. Als je er al wat jaartjes rondloopt en digitaal ook zo je sporen na laat, ken je inmiddels wel wat mensen, zowel uit de bibliotheekwereld, Blackboardgroep als edubloggers en tweeps. LeukLeuk. Ik heb nog gesproken met Erik Hulsken van Windesheim. Hij vertelde dat hij mijn blog over het gebruik van bloggen bij de faculteit IBC intern had doorgestuurd. Bij Windesheim gaan ze bloggen met 600 studenten! Ik heb hem gevraagd of hij deze ervaringen op ons blog wilde delen. Ik ben wel heel nieuwsgierig hoe ze dat gaan aanpakken. Wordt vervolgd!
Ik vond het trouwens fijn dat ik diverse Zuyd-collega’s heb gespot. Naast het volledige I-team was Els Koelewijn en Chris Kockelkoren er. Ook de docenten Erica Diks en Mieke van Heugten heb ik even gesproken.
Tijdens Dé Onderwijsdag op dinsdag werd het trendrapport open en online onderwijs 2015 gepresenteerd (zie mooczi-blog). Omdat ik er aan meegewerkt heb (zie mijn blog) ben ik naar de presentatie en de masterclass geweest. Grappig detail is dat het 1e rapport werd overhandigd aan Walter Jansen van EDLAB van UMaastricht waarmee ik onlangs kennis heb gemaakt.
De afsluitende keynote van trendwatcher Farid Tabarki vonden velen ondermaats. Wilfred Rubens moest er van zuchten. Ik moet zeggen dat ik het wel lekker dynamisch vond: lekker snel en mooie plaatjes (zonder bronvermelding 😦 ) en dito filmpjes. Het was het enige wat mij vermoeide geest na deze 2 lange intensieve dagen nog aan kon op dat moment. Het was oppervlakkig en niet diepgaand, maar ach ik liet me lekker vermaken. Je kunt het nog bekijken als je wilt.
Het thema van deze Onderwijsdagen was Onderwijs op maat, centraal stonden presentaties rondom persoonlijk en flexibel onderwijs. Hierover wil ik nog wat kwijt. Er volgt snel nog een apart blogje. Al met al waren het leuke werkdagen met een top afsluiting in een restaurantje bij het station 🙂
Volgend jaar weer mee?
groet,
Judith
Meer lezen of bekijken?
- Blogposts van de edubloggers
- Storify met tweets #OWD2015
- Videoregistraties (keynotes en sessies in de Rotterdam Hall)
- Pesentaties van sprekers op SlideShare
Kansen voor inbedding open en online onderwijs in campusonderwijs
Op het MOOCZI-blog heb ik een inhoudelijk bericht geplaatst over het Trendrapport open en online onderwijs 2015, die tijdens Dé Onderwijsdagen is gepresenteerd. Mijn bijdrage aan dit rapport wil ik op ons blog integraal [CC-BY] 🙂 overnemen. Vooral ook omdat het praktijkvoorbeeld van Zuyd in dit artikel van jouw hand komt. Helaas zijn deze credits niet opgenomen in het artikel. Bij deze! Het artikel is vooral gebaseerd op mijn/onze ervaringen tijdens het MOOCZI-project van Zuyd Innoveert waarin de Faculteit ICT meer inzicht probeerde te krijgen in open en online onderwijs voor (aankomende) bachelor studenten en deeltijdopleidingen. Ervaringen die ook weer meegenomen kunnen worden bij Zuyd Academy.
Groet, Judith
Onderstaand artikel is inclusief refernties is ook te downloaden als pdf.
KANSEN VOOR INBEDDING OPEN EN ONLINE ONDERWIJS IN CAMPUSONDERWIJS
door Martijn Ouwehand en Judith van Hooijdonk
Hoewel OER al bijna vijftien jaar geleden door MIT werden geïntroduceerd, was de opkomst van MOOC’s sinds 2012 pas echt een katalysator voor open en online onderwijs. En na de eerste aankondigingen van universiteiten en hogescholen om zich aan te sluiten bij de grote MOOC-platforms dan wel om MOOC’s aan te bieden, gaf de stimuleringsregeling Open en online onderwijs in 2014 het thema verdere versterking. Niet minder dan 45 projecten zijn ingediend, waarvan er 11 door het ministerie van OCW zijn gehonoreerd.
Hoewel we anno 2015 ontdekken dat MOOC’s op zichzelf niet de belofte inlossen om het onderwijs grondig te veranderen (Watters, 2015), is er wel een flinke beweging op gang gekomen op het gebied van online onderwijs, ook in Nederland. Onder andere dankzij het veelvuldig gebruik van video’s in de vorm van (korte) kennisclips en weblectures, zijn MOOC’s inspirerend voor de vele concepten van blended learning en ‘geflipte klaslokalen’. Maar wat beweegt het hoger onderwijs op het gebied van open en online onderwijs? En zijn er trends te signaleren? We verkennen dit vanuit onze eigen hbo- en wo-praktijk.
Zelf ontwikkelen versus hergebruiken
Allereerst constateren we twee verschillende invalshoeken als het gaat over open en online onderwijs, namelijk ‘zelf ontwikkelen’ versus ‘hergebruiken’. MOOC’s die in korte tijd wereldwijd grote aantallen lerenden aantrokken (of op zijn minst geïnteresseerden in het aangeboden onderwerp) spreken tot de verbeelding. Zelf onderwijs(materiaal) ontwikkelen en dit aanbieden aan anderen is dan ook een voor de hand liggende keuze. De toegankelijkheid van open en online onderwijs past bij de missie van vele hogeronderwijsinstellingen: te voorzien in een opleidingsbehoefte om (meer) mensen op te leiden tot professional. De wereldwijde uitstraling van MOOC’s stelt hogeronderwijsinstellingen in staat zich sterker te profileren en de reputatie stevig te versterken. Zelf ontwikkelen hoeft echter niet de enige optie te zijn om de mogelijkheden van open en online onderwijs te benutten.
Wanneer we het wereldwijd steeds verder toenemende aanbod van open gelicentieerd onderwijsmateriaal en MOOC’s in ogenschouw nemen, zou je je ook kunnen afvragen waarom deze niet vaker hergebruikt worden. Welke kansen biedt bestaand onderwijsmateriaal voor het campusonderwijs? Wanneer toonaangevende instellingen (online) onderwijs op topniveau aanbieden, moet een onderwijsinstelling voor ditzelfde onderwerp dan weer een vak ontwikkelen of kan het bestaande aanbod worden hergebruikt? Wellicht kunnen we dankzij de beschikbaarheid en toegankelijkheid van open en online onderwijs juist de beste docenten van de wereld tegen lage kosten in de eigen instelling uitnodigen. Van Damme (2015) is zelfs van mening dat de belofte van MOOC’s om het onderwijs grondig te veranderen alleen kan worden ingelost wanneer (open) onderwijs(materiaal) sterker geïntegreerd wordt in het campusonderwijs.
Trends in het Nederlandse hoger onderwijs
Wanneer we de elf gehonoreerde projecten van de stimuleringsregeling bekijken, focussen de meeste niet op hergebruik van bestaand materiaal van anderen. Het merendeel begint met het zelf ontwikkelen en aanbieden van MOOC’s of van blendedlearning-cursussen voor specifieke doelgroepen, die ook open worden gesteld voor andere deelnemers. In sommige gevallen wordt OER ontwikkeld.
Naast het grotere bereik en de profilering van de eigen instelling door middel van open en online onderwijs, is een andere drijfveer van de instellingen de kwaliteitsverhoging van het (campus)onderwijs. De projecten lijken vooral te focussen op het efficiënt benutten van de tijd en energie die in de ontwikkeling van open en online onderwijsmateriaal gaat zitten. Een trend die we wereldwijd vaker zien, bijvoorbeeld bij Duke University (Manturuk & Ruiz-Esparza, 2015). Vanuit het eigen aanbod worden online varianten ontwikkeld die bijdragen aan de zichtbaarheid van de instelling in een (inter)nationale context, maar die tevens een rol spelen bij kwaliteitsverhoging binnen de eigen instelling.
Dat deze doelen gelijk opgaan, is niet onlogisch. De ontwikkeling van open onderwijs (met name MOOC’s en open videolectures) vraagt immers een behoorlijke financiële en tijdsinvestering, waardoor de behoefte ontstaat het onderwijsmateriaal op meer manieren te kunnen gebruiken (Stansbury, 2015). Zo wordt open onderwijsmateriaal, in eerste instantie ontwikkeld voor nieuwe doelgroepen, ook vaker ingezet in het eigen campusonderwijs. Bij de Universiteit van Amsterdam wordt het campusonderwijs steeds meer ‘geflipt’ vormgegeven dankzij de inzet van zelf geproduceerde MOOCvideo’s. De ontwikkeling van MOOC’s leidt daar onder andere tot kwalitatief hoogwaardige video’s, die kennisoverdracht (aangevuld met responsiecolleges) binnen het onderwijs tot op zekere hoogte kunnen vervangen (Zand Scholten & Van Hees, 2014). Ook binnen de Technische Universiteit Delft zien we deze trend sterk terug. De ontwikkeling van open en online onderwijs leidt ertoe dat het course design van het campusonderwijs vaak ook aangepast wordt, bijvoorbeeld volgens het ‘flipping the classroom’-principe (Ouwehand & Jacobi, 2014).
Hoewel open en online onderwijs dus wel in het campusonderwijs wordt ingezet, is er weinig sprake van hergebruik van elders ontwikkeld materiaal. Dit wil niet zeggen dat deze benadering helemaal niet voorkomt binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Zo beschreven we in het trendrapport Open Education 2014 (SURF, 2014) het voorbeeld van de Universiteit Leiden, waar een MOOC van Van der Bilt University werd ingezet in het campusonderwijs voor honours-studenten. Ook binnen het hbo zijn gelijksoortige ervaringen te delen. Bij Fontys Hogeschool ICT worden bij enkele minoren in het reguliere programma MOOC’s van Udacity ingezet. In bovenstaande voorbeelden betreft het docenten die MOOC’s inzetten in het campusonderwijs. Een andere vorm van hergebruik ontstaat als een student het initiatief neemt tot het volgen van MOOC’s. Bij Zuyd Hogeschool heeft een student een viertal MOOC’s van de University of San Diego gevolgd in de flexibele onderwijsruimte waarvan elke student gebruik kan maken (zie kader), iets wat in het buitenland ook voorkomt. Zo gaf Friedman (2013) al eerder aan dat de Harvard Business School geen inleiding Accounting meer verzorgt, omdat studenten dit vak inmiddels bij Brigham Young University online volgen.
Daarnaast zien we dat men wel open staat voor hergebruik door anderen van het door henzelf ontwikkeld open en online onderwijs(materiaal). In sommige gevallen wordt het zelfs aangemoedigd. De Technische Universiteit Delft biedt bijvoorbeeld al het onderwijsmateriaal van haar MOOC’s aan onder een Creative Commons-licentie en publiceert deze op haar OpenCourseWare-website. En Annemarie Zand Scholten van de Universiteit van Amsterdam zegt over de inzet van zelf geproduceerde MOOC-video’s: “De video’s zijn vrij te gebruiken onder Creative Commons. (…) Ik juich hergebruik binnen en buiten onze universiteit alleen maar toe” (Van Trigt, 2014, p.8). Maar ook al staat men open voor hergebruik van ontwikkeld materiaal, velen vinden het open publiceren op het internet een grote stap. Zo bouwt de Haagse Hogeschool aan een OER-repository om onderwijsmateriaal in eerste instantie binnen de eigen instelling beschikbaar te stellen. Vanuit SURF is onlangs zelfs een inventarisatie uitgevoerd naar een geschikt platform voor het delen van onderwijsmateriaal op basis van eisen en wensen van vijf hogeronderwijsinstellingen (Schuwer, 2015A).
Hoe komt het dan toch dat hergebruik van bestaand onderwijsmateriaal minder voorkomt? Welke belemmeringen voor hergebruik kunnen we identificeren?
Belemmeringen en barrières
• ‘Not invented here’
Een voor de hand liggende reden waarom hergebruik van materiaal binnen de eigen instelling weinig aantrekkingskracht lijkt te hebben, zou kunnen zitten in de kansen voor profilering en de eigen reputatie. Om de eigen concurrentiepositie te vergroten, is het uiteraard interessanter om je als instelling aantrekkelijk te presenteren vanuit de eigen aandachtsgebieden en speerpunten. Erkenning van onderwijs(materiaal) dat is verbonden aan de reputatie van andere instellingen draagt vanuit dit perspectief niet bij aan de eigen profilering. Waarschijnlijk heeft het ‘not invented here’-syndroom niet alleen op docentniveau, maar ook op instellingsniveau grote invloed.
• Noodzaak en kosten
Daarnaast kan het zo zijn dat in het Nederlandse hoger onderwijs weinig aanleiding of noodzaak bestaat om onderwijsmateriaal van andere instellingen in te zetten. In de VS zien we bijvoorbeeld meer grootschalige projecten, zoals rondom open textbooks (Tidewater Community college, BCcampus, of zeer recent de University of Maryland). Deze ontwikkeling is een gevolg van de hoge kostprijs van commerciële boeken in de VS. Als gevolg hiervan moet men langere tijd met het beschikbare onderwijsmateriaal doen, wat consequenties heeft voor de kwaliteit van het onderwijs. OER bieden meer flexibiliteit en tenminste gelijke kwaliteit tegen lagere kosten en zijn dan een goed alternatief. De vraag is in hoeverre de afschaffing van de basisbeurs in Nederland tot dezelfde ontwikkelingen gaat leiden als in de VS.
Ook kunnen we ons afvragen of het nog wel zo efficiënt is om basisvakken, die binnen meerdere instellingen en wellicht een heel vakgebied worden gegeven, steeds opnieuw te ontwikkelen. In de evaluatiebijeenkomst van twaalf strategieworkshops open en online onderwijs die in 2013 en 2014 plaatsvonden, waren enkele aanwezigen voorstander van het gezamenlijk en instellingsoverstijgend ontwikkelen van open onderwijsmaterialen en cursussen. Daarbij bleek dat succesverhalen zich eerder binnen vakgebieden en studierichtingen voordoen dan binnen instellingen. Wellicht is daarom instellingsoverstijgend samenwerken binnen een vakgebied een betere aanpak om open en online onderwijs te bevorderen. Denk aan het gezamenlijk ontwikkelen van open en online onderwijs op deficiëntievakken.
Andere barrières voor hergebruik van (open) onderwijs(materiaal) kunnen zijn (Jisc, 2015; Schuwer, 2015B):
• Onbekendheid met beschikbaar materiaal
Het aanbod aan open en online onderwijs(materiaal) blijft toenemen, maar een goed overzicht van de onderwerpen en onderwijsmaterialen blijft moeilijk. Daar komt bij dat de open component nog zeker geen gemeengoed is. OER heeft (in Nederland) een veel lagere naamsbekendheid dan MOOC’s. En het onderwijsmateriaal dat in MOOC’s wordt aangeboden, is slechts beperkt beschikbaar onder een open licentie. Dit bemoeilijkt de mogelijkheden tot hergebruik en maakt het vanuit juridisch oogpunt ingewikkelder. De complexiteit rondom wat wel en niet is toegestaan, maakt het er niet makkelijker op.
• Kwaliteit
Ook de kwaliteit van het aangeboden onderwijs(materiaal) kan sterk variëren. Dat maakt het voor de individuele docent moeilijk om de kwaliteit te beoordelen. De combinatie met de vindbaarheid en onbekendheid binnen het aanbod verkleint de kansen op hergebruik.
• Zoektijd
Uiteindelijk kost de zoektocht naar passend en kwalitatief voldoende onderwijs(materiaal) ook tijd. De vraag doet zich voor of de benodigde tijd voor het zoeken en beoordelen van onderwijsmateriaal opweegt tegen het zelf ontwikkelen ervan. Recent heeft SURF (2015) opdracht gegeven tot een landelijke verkenning naar in hoeverre de bibliotheken een rol spelen bij open en online onderwijs. De van oudsher bekende expertisegebieden van bibliotheken (informatievaardigheden, auteursrecht, ontsluiten en opslaan content, kennis delen) worden steeds relevanter. In samenwerking met het onderwijs zouden bibliotheken open en online onderwijs verder kunnen helpen en hergebruik van onderwijsmaterialen stimuleren.
• Bruikbaarheid binnen de eigen context
Buiten het ‘not invented here’-syndroom is ook de context waarbinnen het onderwijs(materiaal) wordt hergebruikt van belang. Onderwijsmateriaal wordt binnen een bepaalde context met een bepaald doel ontwikkeld. Dat doel is doorgaans zo specifiek dat het de bruikbaarheid ervan voor anderen negatief beïnvloedt. Anderzijds zorgt geschikt maken van onderwijsmateriaal voor hergebruik ervoor dat de effectiviteit ervan voor de eigen context daalt (Wiley, 2015).
Naast deze operationele hindernissen zijn er ook vraagstukken op beleidsniveau die adoptie van open online onderwijs in de weg staan. In de strategische workshops werden het gebrek aan visie op open onderwijs, accreditatievraagstukken ten gevolge van het inzetten van MOOC’s en een onduidelijk verdienmodel als hindernissen benoemd (Janssen et al., 2014). Ook wettelijke bepalingen zoals verplichte contacturen en het vestingsplaatsbeginsel beperken het inzetten van MOOC’s in het campusonderwijs en hebben consequenties voor de verdere ontwikkeling van open en online onderwijs.
Ontzorgen docent
De lijst met mogelijke barrières voor hergebruik lijkt lang, maar is zeker niet onoverkomelijk. Volgens Christien Bok, programmamanager Onderwijs op maat bij SURFnet, ligt de sleutel voornamelijk hier: “Heel veel tijd voor en heel veel support voor docenten, dat lijken de belangrijkste ingrediënten om online onderwijs in het campusonderwijs te integreren in een succesvol blended concept” (Bok, 2015).
En wellicht ligt de voornaamste oplossing wel in een cultuuromslag. Openheid is, boven de praktische mogelijkheden, toch vooral een mindset, waarin delen centraal staat. En daar is een cultuurverandering voor nodig.
Kansen voor de toekomst
Gelukkig zijn er ook argumenten te formuleren om wel met OER aan de slag te gaan. Schuwer (2015B) benoemt in zijn lectorale rede naast de in dit artikel al genoemde kostenmotieven en profilering ook een moreel argument: onderwijsmateriaal betaald met publiek geld moet publiek beschikbaar zijn. Daarnaast beargumenteert hij dat open publiceren een duidelijker beeld geeft over wat er aanwezig is bij een opleiding of faculteit en dat studenten zo een betere indruk van inhoud en kwaliteit van de studie krijgen.
We moeten in het oog houden dat hergebruik geen kwestie is van ‘plug & play’. Onderwijs(materiaal) kan niet zomaar worden ‘ingeplugd’ zodat het automatisch aansluit bij de context van de gebruiker. Uiteindelijk betekent hergebruik van onderwijsmateriaalvan anderen dat het gehele onderwijsontwerp moet worden aangepast (Sloep, 2014). Bovendien zijn veel OER en MOOC’s Engelstalig. Gelukkig blijkt uit een kleinschalig studentenonderzoek van het lectoraat Open Educational Resources bij Fontys Hogeschool ICT dat dat geen grote hindernis voor studenten is (Groenemeijer et al., 2015).
Uit de strategieworkshops bleek ook dat hbo-instellingen vrezen hun regionale identiteit te verliezen wanneer de ontwikkelingen naar globalisering door open en online onderwijs doorzetten. Desondanks denken wij dat de vele levenlangleren-trajecten die in het hbo van start gaan, kansen bieden voor de toekomst van open en online onderwijs. Daarin wordt onderwijs blended ontwikkeld samen met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Bespiegelingen
Hergebruik van onderwijsmateriaal lijkt nog geen grootschalige trend binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Waar het zelf ontwikkelen van open en online onderwijs voornamelijk past bij het profileren van richtingen waarin je uniek bent, liggen er ondanks de barrières wellicht wel grote kansen in hergebruik. Kwalitatief hoogwaardig onderwijs wordt steeds toegankelijker. Onze studenten zien het kwalitatief hoogwaardige onderwijsaanbod en we kunnen hen niet kwalijk nemen dat ze hier kieskeuriger door worden. De uitspraak van Thomas Friedman (Friedman, 2013) is alom bekend: “When outstanding becomes so easily available, average is over.” We zouden ons misschien moeten afvragen of bijvoorbeeld basisvakken nog wel zelf ontwikkeld moeten worden, of dat er mogelijkheden liggen in het hergebruik of erkenning van kwalitatief hoogwaardige basisvakken. Het blijft uitdagend om deze vraag hardop te stellen, en wellicht is het in de fase waarin het Nederlandse hoger onderwijs zich nu bevindt nog een ver-van-mijn-bedshow. Toch gaan de ontwikkelingen op wereldwijde schaal soms sneller dan we denken. En als we ons de vraag over hergebruik niet nu al stellen, zijn we op de langere termijn waarschijnlijk niet goed voorbereid op wat gaat komen. In elk geval bieden de ambities van minister Bussemaker (Ministerie van OCW, 2015) om in 2025 al het onderwijsmateriaal onder een open licentie te delen en te laten uitwisselen alvast aanknopingspunten. Tevens willen we instellingen oproepen om elkaars MOOC’s te erkennen. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet om hergebruik mogelijk te maken, maar we zijn er nog niet.
Bibliotheek Ligne en innovatie
Zoals ik je al eerder geblogd heb, Marcel, ben ik lid van de Adviesgroep Innovaties Bibliotheek Ligne. In dit clubje zijn al diverse ideeën besproken. Sommige gemakkelijke te realiseren (als je een zak vol centen hebt) zoals grote schermen in de samenwerkingsruimte en touchscreens & sommige zijn ook heel goedkoop, zoals een feel good bord onder ander de trap om mensen tot meer bewegen te stimuleren, zie dit verkeersbord in Den Haag :).
In de herfstvakantie was ik in Het Noordbrabants Museum in ‘s-Hertogenbosch en daar zag ik zo’n ontdek en doe tafel. Maar wat ik nog leuker vond was de vloeranimatie. Op de vloer was de provincie Noord-Brabant gepresenteerd, door op een plaats te gaan staan activeer je het beeld van een bepaalde periode in een Brabantse plaats. Ik moest natuurlijk even op Bergen op Zoom staan 🙂




Zo’n vloeranimatie lijkt me ook wel wat voor in Ligne. Leuk voor klein én groot!
Waar we het eigenlijk te weinig over gehad hebben is gaming in de bibliotheek. Wij hebben samen al eens sessies gehad met bibliotheekcollega’s over gamification van informatievaardigheden. De lessen Informatievaardigheden maken onze collega’s steeds interactiever, o.a. met Shakespeak. In dit bericht lees je dat met Augmented Reality ook de bibliotheekruimte steeds interactiever kan worden. Zie ook onderstaand filmpje
En wat volgens mij gewoon een must moet zijn, is een ED-/X-/FAB-lab. Dit is wat lastiger te realiseren, niet wat betreft aanschaf van materialen maar vooral om voldoende en deskundig personeel hiervoor beschikbaar te hebben.
Daarnaast zou een Seats2Meet-achtig aanbod niet misstaan in de Bibliotheek Ligne, dat aangevuld met ruimtes zoals BBox van Hotel Beaumont in Maastricht 🙂 Zo’n fishbowl-opstelling voor inspiratiesessies met studenten, medewerkers, voor zzp-ers en studenten van Zuyd Academy lijkt mij een goede investering. Het is maar een idee hoor 😉
Dit blogje heb ik geschreven omdat ik woendag niet bij de Adviesgroep kan aanschuiven.
Groet, Judith









