Auteursarchief: Judith van Hooijdonk

Social learning, mogelijkheden voor de MLI

Hallo Marcel,

Als afronding van de MLI heb ik in augustus een publicabel artikel moeten schrijven. De meeste studenten schrijven een artikel over hun onderzoek. Omdat ik tijdens de integratiefase constateerde dat alles wat ik wat ik aan producten heb opgeleverd in de 5 MLI-leerarrangementen te maken had met het thema waar ik zo warm voor loop: ‘social learning’, besloot ik hierover het artikel te schrijven. Social learning is niet echt een thema binnen de MLI, terwijl ik wel mogelijkheden zie. Hierover heb ik de afgelopen twee jaar ook geregelmatig geblogd. Deze blogs zijn ook verwerkt in het artikel. Ik heb mijn onderzoeksbegeleidster Petra het boek over Social Learning van Marcel de Leeuwe en Wilfred Rubens kado gedaan om haar meer over dit onderwerp te laten lezen, zodat zij met mij mee kon denken over social learning bij de MLI. Het onderstaand artikel is ook als pdf te downloaden.

Het artikel had ik nog niet ter publicatie aangeboden. Ten eerste omdat ik reactie van het management van de MLI wilde afwachten. Dat is inmiddels gebeurd. Zij gaan de inhoud intern verder bespreken en vonden het uiteraard prima dat ik dit zou publiceren. Op welke wijze dan ook 😉 Ten tweede vind ik het meer passend een artikel over social learning via sociale media te verspreiden dan via een fysiek tijdschrift. Er is toch geen betere weg dan via ons blog. Daar waar het ooit (deze maand 6 jaar geleden) allemaal begon met mijn sociaal leren!

Benieuwd wat je / jullie er van vinden.
Groet, Judith

Over de auteurs

Judith van Hooijdonk is als I-adviseur bij Zuyd Hogeschool betrokken bij ict-innovaties in het onderwijs en ict-docentprofessionalisering. Zij is een fervent gebruiker van sociale media, Twitter noemt zij haar ‘permanente bijscholingscursus’ en haar diverse blogs haar ‘buitenboordbrein’. Binnen haar mastertraject ‘Leren en Innoveren’ van Fontys Hogescholen heeft zij het leren met sociale media vanuit theoretisch en onderwijskundig perspectief op verschillende terreinen verkend.Profielfoto
judith.vanhooijdonk@zuyd.nl
twitter: @jujuutje
blog: 2beJAMmed.org
linkedin: https://nl.linkedin.com/in/judithvanhooijdonk

PetraPetra Swennenhuis is onderzoekster en docent aan de Master Leren en Innoveren (MLI) van Fontys Hogescholen en heeft Judith begeleid in haar onderzoek over social learning bij hbo-docenten. Zij is een beginneling op het gebied van sociale media, maar ziet veel mogelijkheden om dit in te zetten in professionele leergemeenschappen.
petra.swennenhuis@fontys.nl
linkedin: https://www.linkedin.com/pub/petra-swennenhuis/a/796/878/nl

Naar aanleiding van het praktijkgericht onderzoek dat Judith in het kader van de MLI heeft verricht, verkennen zij in deze publicatie samen aan de hand van de recente uitgave van De Leeuwe & Rubens (2015) vanuit student- en docentperspectief de mogelijkheden van social learning voor de MLI. Deze master is gericht op het professionaliseren van de leraar. De lerenden zijn afkomstig uit alle onderwijssectoren en hebben vele jaren onderwijservaring. Deze volwassen studenten leren onderwijsvernieuwingen kritisch te begeleiden en deze te onderscheiden van trends, mythes en hypes op onderwijskundig terrein. Binnen de MLI staat actief, motiverend, samenwerkend leren centraal, waarbij peerfeedback in de leerteams een centrale rol speelt.

Veranderende samenleving

We leven en leren in een samenleving waarin de verandering centraal staat en zekerheden er niet meer zijn. Het leren, kennis delen en het communiceren gebeurt meer en meer met behulp van ict, in het bijzonder sociale media. Samenwerkend leren is niet iets van de laatste decennia maar door de opkomst van internettechnologie wel sterk onder de aandacht gekomen en sluit daarmee aan bij de onderwijskundige opvattingen van de afgelopen 20 jaar dat leren vooral plaatsvindt via sociale interactie. De term social learning die hiervoor nu gebruikt wordt, is niet nieuw. In de jaren zeventig van de vorige eeuw ging Bandura in zijn Social Learning Theory er al van uit interactie belangrijk is voor leren. Door sociale media krijgt social learning wel een nieuwe dimensie. De Leeuwe & Rubens (2015) definiëren social learning als “samenwerkend leren met behulp van sociale media, waarbij de lerende veel controle heeft over wat, hoe, waar en waarmee er geleerd wordt”.

Social learning staat voor verandering in leren. Met name flexibiliteit, veerkracht, wendbaarheid en weerbaarheid worden belangrijker in ons onderwijs zoals dat ook centraal staat in de onlangs gepubliceerde strategische agenda van de Vereniging Hogescholen voor de komende tien jaar. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) benoemt aanpassingsvermogen naast kenniscirculatie als cruciaal in haar rapport ‘Naar een lerende economie’. In onderwijstrendrapporten zoals #hbo2025 en de jaarlijkse Horizon van Educause wordt het samen professionaliseren door met, van en door elkaar te leren, al dan niet binnen communities of netwerken, met behulp van sociale media, steeds benadrukt.

Sociale media spelen een belangrijke rol bij social learning. Door sociale media is het gemakkelijk om informatie en ‘peers’ te vinden, om samen problemen op te lossen en nieuwe kennis te ontwikkelen en te delen, op elk moment vanaf elke plaats. Mede door de mobiele technologie zijn sociale media niet meer weg te denken uit ons leven en hebben ze ook invloed op de visie op leren. Gepersonaliseerd leren, actief leren en dat levenslang zijn belangrijke thema’s die ons beeld van het onderwijs van nu beïnvloeden. Tevens wordt informeel leren tegenwoordig steeds meer gezien als een belangrijke manier van professionaliseren. Vanuit de literatuur wordt de maatschappelijke noodzaak van het (kunnen) participeren in (sociale) netwerken in de huidige kennissamenleving regelmatig benoemd. Sociale media zijn de hypefase voorbij; over een paar jaar zijn wellicht de huidige populaire netwerken vervangen door anderen, maar het fenomeen blijft bestaat. Het gaat bij social learning niet om de sociale media tools maar over ontwikkelingen als samenwerken, kennis delen, openheid en verbinding. Onderwijsprofessionals zouden social learning ‘voor moeten leven’. Het is immers de verantwoordelijkheid van het onderwijs leerlingen en studenten voor te bereiden op de samenleving en uiteindelijk op het arbeidsproces. Dit geldt ook voor de MLI-student, de werkende onderwijsinformatieprofessional afkomstig uit verschillende onderwijssectoren. Het is interessant om te onderzoeken in hoeverre social learning en het leren met behulp van sociale media is ingebed in een masteropleiding rondom de nieuwste inzichten op het gebied van leren en innoveren.

Social learning en professionalisering

Vanuit (onderwijs)organisatieperspectief is het belang van samenwerken en kennis delen in netwerken evident. Aanleiding van het onderzoek van Van Hooijdonk (2015) is de aandacht voor samenwerken en kennis delen in netwerken dat steeds meer vorm krijgt door middel van ict, met name sociale media. Het onderzoek vond plaats bij een docententeam van een hbo-gezondheidszorgopleiding, waarin 47 docenten via een vragenlijst (n=33) zijn bevraagd naar hun digitale competenties, in een focusgroepbijeenkomst (n=5) is verder ingezoomd op de kansen en mogelijkheden die sociale media voor de netwerken van dit docententeam kunnen bieden. Uit dit onderzoek blijkt dat de betrokken docenten samenwerken in netwerken belangrijk vinden. Ook zijn zij gemotiveerd hun onderwijs met behulp van ict te verbeteren en willen ze aansluiten bij de technologische veranderingen. Toch blijkt dat het merendeel van de docenten sociale media nauwelijks inzet in hun onderwijs en netwerken. Hoewel uit de literatuur blijkt dat sociale media een positieve invloed hebben op betrokkenheid van studenten, de netwerkvorming, en de participatie bij leeractiviteiten, zien de docenten uit het onderzoek nog geen mogelijkheden en kansen om met sociale media open kennis te delen en het online samenwerken te ondersteunen. De docenten gaven aan dat het gebruik van sociale media (Twitter en Facebook) nog veel als privé activiteiten gezien worden. “Ik gebruik het privé echt minimaal, mijn meeste sociale media activiteiten zijn werk maar ik voel me niet zo prettig als iemand ziet dat ik mijn Twitter of Facebook open heb. Ja dat is heel gek maar het is gewoon zo.” Om op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen gebruikt eenderde van de docenten sociale media (vooral LinkedIn). Het online delen van kennis of ideeën gebeurt relatief weinig, een ruime meerderheid zegt dit nooit via internet te doen. Dit beeld komt overeen met de resultaten van het onderzoek van iXperium HAN (Uerz, Kral, & de Ries, 2014).

Binnen de MLI wordt gebruik gemaakt van diverse leertechnologieën: een portal, een elektronische leeromgeving, blogs, en e-mail. In de lespraktijk gebruiken de MLI-docenten diverse sociale media tools, zoals Glogster, Padlet, YouTube, Socrative. Blogs worden veel ingezet, echter niet om het actief leren te bevorderen maar vooral ter vervanging van de elektronische leeromgeving, dus als éénzijdig communicatiemiddel en verzamelbak van PowerPoint en hyperlinks. Recentelijk, met de introductie van een leerarrangement als een game, is binnen de MLI een nieuwe stap gezet naar het online, gezamenlijk en motiverend leren van studenten. De ervaringen van zowel studenten als docenten zijn positief en vormen de basis voor doorontwikkeling.

Tijdens wekelijkse fysieke MLI-studiebijeenkomsten is veel aandacht voor samenwerkend leren en het geven van feedback. De elektronische leeromgeving die de MLI gebruikt, faciliteert dit samenwerkend leren niet. Deze omgeving wordt alleen gebruikt voor het opslaan van onderwijsinhoud en het inleveren van opdrachten. De afstand tot de opleiding kan verkleind worden door het aanbieden van een online leer- en samenwerkingsomgeving die tegemoet komt aan de behoefte van relationele verbondenheid en die kan bijdragen aan het zelfgeorganiseerd leren. Het met elkaar in verbinding blijven, ook online, creëert een nabijheid die belangrijk is voor de intrinsieke motivatie (één van de psychologische basisbehoefte volgens Ryan & Deci). In zijn proefschrift stelt Hermans (2015) dat volwassen lerenden zelf de regie willen hebben over hun eigen leerprocessen, autonoom zijn in wat en hoe zij leren, waarbij zelfgeorganiseerd (informeel) leren een belangrijke rol speelt. Een online leer- en samenwerkingsomgeving als sociaal leernetwerk waar op basis van profielen interactie en kennis en reflecties delen tussen studenten wordt, bevordert social learning.

Het inzetten van sociale media bij leer- en werkprocessen is niet voor iedereen vanzelfsprekend. De open cultuur en de snelheid waarmee deze veranderingen plaatsvinden, vragen van docenten en studenten om een nieuwe toolset, mindset en skillset. Participatie in sociale media vraagt naast digitale competenties om in een bepaalde mate van openheid relaties op te bouwen, om vrijelijke kennis en ervaringen te delen, om een proactieve houding en het benutten van je netwerk. Uit het onderzoek van Van Hooijdonk (2015) bleek dat veel hogeschooldocenten hun digitale competenties ten aanzien van online samenwerken en open kennis delen niet hoog inschatten. Dit beeld komt overeen met de ervaringen van veel MLI studenten; ook zij voelen zich vaak bewust onbekwaam ten aanzien van digitale competenties. Naast digitale competenties worden ook privacy-issues als argument gebruikt om sociale media niet voor leren, samenwerken en kennis delen te gebruiken. Er zijn ook wel juridische vragen te stellen bij het gebruik van sociale media binnen een formele onderwijssetting. Kan een docent een student verplichten tot het aanmaken van een account op Facebook, Google, WordPress, Dropbox? Sociale media bieden prachtige kansen voor co-creatie maar als onderwijsontwerper moet je wel goed nadenken met wel doel je welke tool inzet. Immers de keuze om sociale media te gebruiken ligt bij de gebruiker zelf en is niet af te dwingen. Toch zijn er ook veilige, meer afgesloten leeromgevingen beschikbaar waarmee social learning gestimuleerd kan worden. Leeromgevingen zoals Feedbackfruits of Simulise (bijvoorbeeld het Leerplein van de Nieuwste Pabo) bieden sociale media-achtige tools waarmee studenten en docenten meer open kunnen communiceren en kennis kunnen uitwisselen, kunnen reflecteren en elkaar open feedback geven. Hierdoor wordt het onderwijs interactiever en wordt de mogelijkheid geboden om samenwerkend leren online buiten de fysieke studiebijeenkomsten voort te zetten. Deze omgevingen zouden voor de MLI een mooie uitdaging zijn om social learning te faciliteren waarbinnen sociaal leeractiviteiten plaats kunnen vinden zodat interactie tussen studenten kan toenemen.

Nieuwe kansen

Casus ‘Nieuwe kansen voor praktijkgericht onderzoek’
Het kunnen benutten en opzetten van praktijkgericht onderzoek behoort tot de competenties van aan afgestudeerde MLI-er. Aangezien MLI studenten in hun dagelijkse werk vaak niet veel ervaring opdoen met praktijkgericht onderzoek vormt dit leerarrangement voor veel studenten een grote uitdaging. In de huidige opzet werken de studenten tijdens het eerste jaar aan een onderzoeksvoorstel en voeren zij in het tweede jaar een onderzoek uit. Hoewel ze hierbij intensief worden begeleid, blijkt dat in de praktijk niet altijd just-in-time. De studenten komen één keer in de acht weken (zoiets?) samen met hun leerteam. Het onderzoekstraject geschiedt vooral in eigen tijd en tempo.

Ook bij het uitvoeren van een praktijkgericht onderzoek kan social learning ondersteunend zijn. In de rol van reflective practioner dient de MLI-student te beschikken over vaardigheden als het kunnen geven van feedback, het kritisch beoordelen en reflecteren. Door bijvoorbeeld het inzetten van blogs kunnen studenten worden gestimuleerd na te denken en te reflecteren over hun onderzoeksproces. Door vervolgens medestudenten te stimuleren (al dan niet met credits) hierop te reageren ontstaat er een gesprek waardoor besproken concepten worden aangescherpt. Door reflecterend bloggen in plaats van e-mailen naar de onderzoeksbegeleider (en enkele mede-studenten uit het leerteam) kunnen de studenten van elkaar leren, zo ontstaat er een kennisbron die just-in-time beschikbaar is voor iedereen met toegang. Social learning gaat om verantwoordelijkheid bij de student te leggen, dat betekent ook dat hij/zij moet kunnen bepalen hoe ‘open’ zijn blogs zijn, en of ook het werkveld waar het onderzoek plaatsvindt, toegang krijgt tot zijn blogberichten. Als opleiding kun je er voor kiezen gebruik te laten maken van beschikbare blogtools als WordPress of Blogger. Een leeromgeving als het Leerplein van de Nieuwste Pabo biedt vergelijkbare tools. Het voordeel van het inzetten van zo’n omgeving is dat studenten in veilige omgeving sociaal kunnen leren. Tevens wordt binnen zo’n omgeving een community gevormd waarbinnen de MLI-studenten elkaar kunnen ontmoeten . De MLI-studenten zien elkaar immers maar één dag in de week. Het meeste leren vindt buiten de leerteams plaats. Het opbouwen en onderhouden van een profiel is in zo’n omgeving dan ook belangrijk. Binnen het leerproces van de MLI speelt peerfeedback een centrale rol. Bij peer feedback wordt gebruik gemaakt van elkaars kennis, daarom is het ook belangrijk dat de profielen van de studenten actueel zijn. Door ook persoonlijke informatie aan de profielen toe te voegen wordt onderling vertrouwen bevorderd waardoor onderlinge relatie versterkt worden.

Bespiegelingen

Een perfecte leeromgeving bestaat niet. Niet iedereen ziet de mogelijkheden van informeel leren en gepersonaliseerd, gamified, open onderwijs. In de publicatie van De Leeuwe & Rubens (2015) benoemen zij “om lerende te leren hoe zij als professional bij kunnen blijven op hun vakgebied door sociale media te gebruiken voor informeel leren” als een valide reden om sociale media binnen het onderwijs in te zetten. Terecht stellen zij dat implementatie van social learning in het onderwijs als een “complexe en radicale verandering”. Dat komt omdat hiermee meer regie bij de lerende wordt gelegd, zij krijgen daarmee een grote mate van eigen verantwoordelijkheid ten aan zien van het leerproces.
De vraag waarom doen we de dingen zoals we ze doen en waartoe dient ons onderwijs zijn vragen die passen in een masteropleiding rondom leren en innoveren. Juist op zo’n opleiding waar onderwijsprofessionals uit alle onderwijssectoren samen leren en vernieuwingen in het onderwijs onderzoeken, zou het zelf ervaren en evalueren van trends centraal moeten staan. In deze bestaande cultuur van lerend vernieuwen zouden gedeelde perspectieven gevormd kunnen worden en gezamenlijke handelingspraktijken ontwikkeld. Al lerend vernieuwen wordt dan kennis uitgewisseld, onafhankelijk denken gestimuleerd en ruimte gecreëerd om verschillende opvattingen te onderzoeken en alternatieven af te wegen.

Social learning past binnen de ontwikkelingen van onze netwerksamenleving. Sociale media stellen lerende in staat om samen te werken, kennis te creëren en te delen. Het inbedden van informeel leren binnen een curriculum kan zelfgeorganiseerd leren bevorderen. Dat past binnen het streven naar een lerende economie en de veranderende visie op leren ten aanzien van gepersonaliseerd en levenlang leren. Het inzetten van sociale media lijkt positieve effecten te hebben op de autonomie en relationele verbondenheid van studenten. Toch zijn er nog geen onderzoeksresultaten naar de effectiviteit van social learning bekend. Voor een masteropleiding rondom de nieuwste inzichten op het gebied van leren en innoveren zou het een mooie uitdaging zijn om dit te onderzoeken.

Referenties
De Leeuwe, M. & Rubens, W. (2015). Social learning en leren met sociale media. Groningen : Noordhoff.

Hermans, H. (2015). OpenU: design of an integrated system to support lifelong learning (Doctoral dissertation, Open University, Heerlen, Netherlands). Retrieved from http://dspace.ou.nl/handle/1820/5998

Uerz, D., Kral, M., & De Ries, K. (2014). Lerarenopleiding voor de 21ste eeuw: Leren en lesgeven met ict. Nijmegen: iXperium/Centre of Expertise Leren met ict. Retrieved from http://specials.han.nl/sites/ixperium/blijf-op-de-hoogte/nieuwsberichten/lerarenopleiding-voor-de-/Lerarenopleiding-voor-de-21e-eeuw-Dana-Uerz.pdf

Van Hooijdonk (2015). Leren professionaliseren: Leer-ontwikkel-werk-samen-onderzoek-kennis-deel (Master’s thesis Fontys Hogescholen, Eindhoven, Netherlands)

Hackathon werkplekleren in de zorg op 11 en 12 december

Hallo Marcel,

Ik had je al eerder iets willen vertellen over de Evolva. Misschien heb je er al eens van gehoord? Het is een samenwerking tussen Cofely, Daelzicht, Gilde Opleidingen, Kersten Hulpmiddelenspecialist, Pergamijn, SGL, Zorg aan Zet, ZorgTechniek Limburg én Zuyd. Mijn collega’s Rienke en Harry zijn ook betrokken dit werkplekleren 3.0 initiatief. Op Zuydnet las ik over de hackathon die op 11 en 12 december plaats vindt. Een mooie aanleiding om nu dit blog te schrijven.

Mooi dit initiatief voor de hackathon. Docenten en studenten zijn uitgenodigd  om samen ‘het nieuwe leren’ en ‘het nieuwe waarderen’ vorm geven door voorbeelden uit de praktijk te delen, te luisteren naar elkaar en samen te leren!

HackathonWerkplekleren3.0

Klik op de afbeelding om de volledige uitnodiging voor deze hackathon te downloaden

Op hun werkelijk mooie informatieve website beschrijven ze hun ambitie mbt werkplekleren3.0. Zij zien dat naast het leren op de werkplek dit ook vooral plaatsvindt in een virtuele samenwerkingsomgeving. Het gaat om teamleren, informeel leren en digitaal leren. Hoe dit allemaal vorm moet krijgen, weten ze ook nog niet precies. Maar ze doen! En delen hun proces en voortgang via de website. Wel jammer dat de berichten geen social links bevatten, is voor mij wel voorwaardelijk voor informeel/sociaal leren 🙂 . De nieuwsbrief bevat gelukkig een RSS-feed, die is toegevoegd in mijn eigen RSS-krantje Feedly.

Klik maar eens door de site, dan vind je ook een blogbericht van Frits Benjamins en Marcel van der Klink. En kan je korte informatieve filmpjes zien over team lereninformeel leren en onderstaande over digitaal leren.

Goed bezig bij Evolva!
Judith

Bezocht. De Onderwijsdagen #OWD2015

onderwijsdagenHa Marcel,

Eindelijk tijd om ook nog een persoonlijk blogje te schrijven over Dé Onderwijsdagen. Ik heb de afgelopen dagen al wel het een en ander (inhoudelijk) geblogd op ons MOOCZI-blog en het icto.community-blog.

Tsja Marcel en dan ben ik toch naar een pre-conferentie van Dé Onderijsdagen over Learning Analytics (zie icto.community-blog). Voor velen is dit onmisbaar bij de trend ‘onderwijs op maat’, het flexibel en gepersonaliseerd leren. Mijn weerstand tegen ‘het alles meetbaar maken’-cultuur opzij proberen te zetten en me van 13.00 tot 18.00 ondergedompeld in de wereld van getallen. Dat het een hot item is in onderwijswereld was wel te zien aan het feit dat deze middag met de aanwezigheid van 300 onderwijsmensen ‘uitverkocht’ was. Ik moet zeggen dat mijn sceptische houding niet echt veranderd is. Mijn haat-liefde verhouding met data blijft 🙂 .

Er wordt en is al veel onderzoek gedaan, lieten Hendrik Drachsler (OU) en Niall Sclater (Jisc) zien, maar de echt overtuigende voorbeelden heb ik niet voorbij zien komen. Ja, ik heb mooie dashboards gezien, die me deden denken aan het studentenonderzoek uit onze Zuydpleintijd. Over het gebruik van open dashboards kan je meer lezen via Apereo Learning Analytics Initiative LAI.
De laatste 2 sprekers: internetjurist Arnoud Engelfriet en wiskunde-meisje en getallendiva Ionica Smeets bespraken de vele haken en ogen aan het verzamelen en interpreteren van data. Het is zo complex. Door de privacywet (het recht om met rust gelaten te worden!) is het verzamelen van persoonsgegevens niet zo gemakkelijk. We overtreden conitnu de wet bescherming persoonsgegevens, zo leek het wel. Als we dan eenmaal die data in huis hebben (Arnoud Engelfriet) dan is het analyseren van die data ook geen sinecure (Ionica Smeets). Heb je wel eens gehoord van de Simpsons paradox? Nou hou er rekening mee want kleine effecten hebben grote gevolgen in grote groepen. Pas op met het combineren van je cijfers. En voor je promotie-onderzoek: P<0.05 is niet heilig en aan gemiddeldes heb je niet veel. Dus gewoon je gezonde verstand gebruiken dan maar? Haar kernboodschap was meteen de conclusie van deze middag: “denk na goed na!”.

Dag 2 stond voor mij vooral in het teken van netwerken. Als je er al wat jaartjes rondloopt en digitaal ook zo je sporen na laat, ken je inmiddels wel wat mensen, zowel uit de bibliotheekwereld, Blackboardgroep als edubloggers en tweeps. LeukLeuk. Ik heb nog gesproken met Erik Hulsken van Windesheim. Hij vertelde dat hij mijn blog over het gebruik van bloggen bij de faculteit IBC intern had doorgestuurd. Bij Windesheim gaan ze bloggen met 600 studenten! Ik heb hem gevraagd of hij deze ervaringen op ons blog wilde delen. Ik ben wel heel nieuwsgierig hoe ze dat gaan aanpakken. Wordt vervolgd!
Ik vond het trouwens fijn dat ik diverse Zuyd-collega’s heb gespot. Naast het volledige I-team was Els Koelewijn en Chris Kockelkoren er. Ook de docenten Erica Diks en Mieke van Heugten heb ik even gesproken.

Tijdens Dé Onderwijsdag op dinsdag werd het trendrapport open en online onderwijs 2015 gepresenteerd (zie mooczi-blog). Omdat ik er aan meegewerkt heb (zie mijn blog) ben ik naar de presentatie en de masterclass geweest. Grappig detail is dat het 1e rapport werd overhandigd aan Walter Jansen van EDLAB van UMaastricht waarmee ik onlangs kennis heb gemaakt.

De afsluitende keynote van trendwatcher Farid Tabarki vonden velen ondermaats. Wilfred Rubens moest er van zuchten. Ik moet zeggen dat ik het wel lekker dynamisch vond: lekker snel en mooie plaatjes (zonder bronvermelding 😦 ) en dito filmpjes. Het was het enige wat mij vermoeide geest na deze 2 lange intensieve dagen nog aan kon op dat moment. Het was oppervlakkig en niet diepgaand, maar ach ik liet me lekker vermaken. Je kunt het nog bekijken als je wilt.

Het thema van deze Onderwijsdagen was Onderwijs op maat, centraal stonden presentaties rondom persoonlijk en flexibel onderwijs. Hierover wil ik nog wat kwijt. Er volgt snel nog een apart blogje. Al met al waren het leuke werkdagen met een top afsluiting in een restaurantje bij het station 🙂
Volgend jaar weer mee?

groet,
Judith

Meer lezen of bekijken?

Kansen voor inbedding open en online onderwijs in campusonderwijs

TrendrapportOOO2015Ha Marcel,

Op het MOOCZI-blog heb ik een inhoudelijk bericht geplaatst over het Trendrapport open en online onderwijs 2015, die tijdens Dé Onderwijsdagen is gepresenteerd. Mijn bijdrage aan dit rapport wil ik op ons blog integraal [CC-BY] 🙂 overnemen. Vooral ook omdat het praktijkvoorbeeld van Zuyd in dit artikel van jouw hand komt. Helaas zijn deze credits niet opgenomen in het artikel. Bij deze! Het artikel is vooral gebaseerd op mijn/onze ervaringen tijdens het MOOCZI-project van Zuyd Innoveert waarin de Faculteit ICT meer inzicht probeerde te krijgen in open en online onderwijs voor (aankomende) bachelor studenten en deeltijdopleidingen. Ervaringen die ook weer meegenomen kunnen worden bij Zuyd Academy.

Groet, Judith

Onderstaand artikel is inclusief refernties is ook te downloaden als pdf.

KANSEN VOOR INBEDDING OPEN EN ONLINE ONDERWIJS IN CAMPUSONDERWIJS

door Martijn Ouwehand en Judith van Hooijdonk

Hoewel OER al bijna vijftien jaar geleden door MIT werden geïntroduceerd, was de opkomst van MOOC’s sinds 2012 pas echt een katalysator voor open en online onderwijs. En na de eerste aankondigingen van universiteiten en hogescholen om zich aan te sluiten bij de grote MOOC-platforms dan wel om MOOC’s aan te bieden, gaf de stimuleringsregeling Open en online onderwijs in 2014 het thema verdere versterking. Niet minder dan 45 projecten zijn ingediend, waarvan er 11 door het ministerie van OCW zijn gehonoreerd.

Hoewel we anno 2015 ontdekken dat MOOC’s op zichzelf niet de belofte inlossen om het onderwijs grondig te veranderen (Watters, 2015), is er wel een flinke beweging op gang gekomen op het gebied van online onderwijs, ook in Nederland. Onder andere dankzij het veelvuldig gebruik van video’s in de vorm van (korte) kennisclips en weblectures, zijn MOOC’s inspirerend voor de vele concepten van blended learning en ‘geflipte klaslokalen’. Maar wat beweegt het hoger onderwijs op het gebied van open en online onderwijs? En zijn er trends te signaleren? We verkennen dit vanuit onze eigen hbo- en wo-praktijk.

Zelf ontwikkelen versus hergebruiken

Allereerst constateren we twee verschillende invalshoeken als het gaat over open en online onderwijs, namelijk ‘zelf ontwikkelen’ versus ‘hergebruiken’. MOOC’s die in korte tijd wereldwijd grote aantallen lerenden aantrokken (of op zijn minst geïnteresseerden in het aangeboden onderwerp) spreken tot de verbeelding. Zelf onderwijs(materiaal) ontwikkelen en dit aanbieden aan anderen is dan ook een voor de hand liggende keuze. De toegankelijkheid van open en online onderwijs past bij de missie van vele hogeronderwijsinstellingen: te voorzien in een opleidingsbehoefte om (meer) mensen op te leiden tot professional. De wereldwijde uitstraling van MOOC’s stelt hogeronderwijsinstellingen in staat zich sterker te profileren en de reputatie stevig te versterken. Zelf ontwikkelen hoeft echter niet de enige optie te zijn om de mogelijkheden van open en online onderwijs te benutten.

Wanneer we het wereldwijd steeds verder toenemende aanbod van open gelicentieerd onderwijsmateriaal en MOOC’s in ogenschouw nemen, zou je je ook kunnen afvragen waarom deze niet vaker hergebruikt worden. Welke kansen biedt bestaand onderwijsmateriaal voor het campusonderwijs? Wanneer toonaangevende instellingen (online) onderwijs op topniveau aanbieden, moet een onderwijsinstelling voor ditzelfde onderwerp dan weer een vak ontwikkelen of kan het bestaande aanbod worden hergebruikt? Wellicht kunnen we dankzij de beschikbaarheid en toegankelijkheid van open en online onderwijs juist de beste docenten van de wereld tegen lage kosten in de eigen instelling uitnodigen. Van Damme (2015) is zelfs van mening dat de belofte van MOOC’s om het onderwijs grondig te veranderen alleen kan worden ingelost wanneer (open) onderwijs(materiaal) sterker geïntegreerd wordt in het campusonderwijs.

Trends in het Nederlandse hoger onderwijs

Wanneer we de elf gehonoreerde projecten van de stimuleringsregeling bekijken, focussen de meeste niet op hergebruik van bestaand materiaal van anderen. Het merendeel begint met het zelf ontwikkelen en aanbieden van MOOC’s of van blendedlearning-cursussen voor specifieke doelgroepen, die ook open worden gesteld voor andere deelnemers. In sommige gevallen wordt OER ontwikkeld.

Naast het grotere bereik en de profilering van de eigen instelling door middel van open en online onderwijs, is een andere drijfveer van de instellingen de kwaliteitsverhoging van het (campus)onderwijs. De projecten lijken vooral te focussen op het efficiënt benutten van de tijd en energie die in de ontwikkeling van open en online onderwijsmateriaal gaat zitten. Een trend die we wereldwijd vaker zien, bijvoorbeeld bij Duke University (Manturuk & Ruiz-Esparza, 2015). Vanuit het eigen aanbod worden online varianten ontwikkeld die bijdragen aan de zichtbaarheid van de instelling in een (inter)nationale context, maar die tevens een rol spelen bij kwaliteitsverhoging binnen de eigen instelling.

Dat deze doelen gelijk opgaan, is niet onlogisch. De ontwikkeling van open onderwijs (met name MOOC’s en open videolectures) vraagt immers een behoorlijke financiële en tijdsinvestering, waardoor de behoefte ontstaat het onderwijsmateriaal op meer manieren te kunnen gebruiken (Stansbury, 2015). Zo wordt open onderwijsmateriaal, in eerste instantie ontwikkeld voor nieuwe doelgroepen, ook vaker ingezet in het eigen campusonderwijs. Bij de Universiteit van Amsterdam wordt het campusonderwijs steeds meer ‘geflipt’ vormgegeven dankzij de inzet van zelf geproduceerde MOOCvideo’s. De ontwikkeling van MOOC’s leidt daar onder andere tot kwalitatief hoogwaardige video’s, die kennisoverdracht (aangevuld met responsiecolleges) binnen het onderwijs tot op zekere hoogte kunnen vervangen (Zand Scholten & Van Hees, 2014). Ook binnen de Technische Universiteit Delft zien we deze trend sterk terug. De ontwikkeling van open en online onderwijs leidt ertoe dat het course design van het campusonderwijs vaak ook aangepast wordt, bijvoorbeeld volgens het ‘flipping the classroom’-principe (Ouwehand & Jacobi, 2014).

Hoewel open en online onderwijs dus wel in het campusonderwijs wordt ingezet, is er weinig sprake van hergebruik van elders ontwikkeld materiaal. Dit wil niet zeggen dat deze benadering helemaal niet voorkomt binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Zo beschreven we in het trendrapport Open Education 2014 (SURF, 2014) het voorbeeld van de Universiteit Leiden, waar een MOOC van Van der Bilt University werd ingezet in het campusonderwijs voor honours-studenten. Ook binnen het hbo zijn gelijksoortige ervaringen te delen. Bij Fontys Hogeschool ICT worden bij enkele minoren in het reguliere programma MOOC’s van Udacity ingezet. In bovenstaande voorbeelden betreft het docenten die MOOC’s inzetten in het campusonderwijs. Een andere vorm van hergebruik ontstaat als een student het initiatief neemt tot het volgen van MOOC’s. Bij Zuyd Hogeschool heeft een student een viertal MOOC’s van de University of San Diego gevolgd in de flexibele onderwijsruimte waarvan elke student gebruik kan maken (zie kader), iets wat in het buitenland ook voorkomt. Zo gaf Friedman (2013) al eerder aan dat de Harvard Business School geen inleiding Accounting meer verzorgt, omdat studenten dit vak inmiddels bij Brigham Young University online volgen.

MOOCvangen

Daarnaast zien we dat men wel open staat voor hergebruik door anderen van het door henzelf ontwikkeld open en online onderwijs(materiaal). In sommige gevallen wordt het zelfs aangemoedigd. De Technische Universiteit Delft biedt bijvoorbeeld al het onderwijsmateriaal van haar MOOC’s aan onder een Creative Commons-licentie en publiceert deze op haar OpenCourseWare-website. En Annemarie Zand Scholten van de Universiteit van Amsterdam zegt over de inzet van zelf geproduceerde MOOC-video’s: “De video’s zijn vrij te gebruiken onder Creative Commons. (…) Ik juich hergebruik binnen en buiten onze universiteit alleen maar toe” (Van Trigt, 2014, p.8). Maar ook al staat men open voor hergebruik van ontwikkeld materiaal, velen vinden het open publiceren op het internet een grote stap. Zo bouwt de Haagse Hogeschool aan een OER-repository om onderwijsmateriaal in eerste instantie binnen de eigen instelling beschikbaar te stellen. Vanuit SURF is onlangs zelfs een inventarisatie uitgevoerd naar een geschikt platform voor het delen van onderwijsmateriaal op basis van eisen en wensen van vijf hogeronderwijsinstellingen (Schuwer, 2015A).

Hoe komt het dan toch dat hergebruik van bestaand onderwijsmateriaal minder voorkomt? Welke belemmeringen voor hergebruik kunnen we identificeren?

Belemmeringen en barrières

• ‘Not invented here’

Een voor de hand liggende reden waarom hergebruik van materiaal binnen de eigen instelling weinig aantrekkingskracht lijkt te hebben, zou kunnen zitten in de kansen voor profilering en de eigen reputatie. Om de eigen concurrentiepositie te vergroten, is het uiteraard interessanter om je als instelling aantrekkelijk te presenteren vanuit de eigen aandachtsgebieden en speerpunten. Erkenning van onderwijs(materiaal) dat is verbonden aan de reputatie van andere instellingen draagt vanuit dit perspectief niet bij aan de eigen profilering. Waarschijnlijk heeft het ‘not invented here’-syndroom niet alleen op docentniveau, maar ook op instellingsniveau grote invloed.

• Noodzaak en kosten

Daarnaast kan het zo zijn dat in het Nederlandse hoger onderwijs weinig aanleiding of noodzaak bestaat om onderwijsmateriaal van andere instellingen in te zetten. In de VS zien we bijvoorbeeld meer grootschalige projecten, zoals rondom open textbooks (Tidewater Community college, BCcampus, of zeer recent de University of Maryland). Deze ontwikkeling is een gevolg van de hoge kostprijs van commerciële boeken in de VS. Als gevolg hiervan moet men langere tijd met het beschikbare onderwijsmateriaal doen, wat consequenties heeft voor de kwaliteit van het onderwijs. OER bieden meer flexibiliteit en tenminste gelijke kwaliteit tegen lagere kosten en zijn dan een goed alternatief. De vraag is in hoeverre de afschaffing van de basisbeurs in Nederland tot dezelfde ontwikkelingen gaat leiden als in de VS.

Ook kunnen we ons afvragen of het nog wel zo efficiënt is om basisvakken, die binnen meerdere instellingen en wellicht een heel vakgebied worden gegeven, steeds opnieuw te ontwikkelen. In de evaluatiebijeenkomst van twaalf strategieworkshops open en online onderwijs die in 2013 en 2014 plaatsvonden, waren enkele aanwezigen voorstander van het gezamenlijk en instellingsoverstijgend ontwikkelen van open onderwijsmaterialen en cursussen. Daarbij bleek dat succesverhalen zich eerder binnen vakgebieden en studierichtingen voordoen dan binnen instellingen. Wellicht is daarom instellingsoverstijgend samenwerken binnen een vakgebied een betere aanpak om open en online onderwijs te bevorderen. Denk aan het gezamenlijk ontwikkelen van open en online onderwijs op deficiëntievakken.

Andere barrières voor hergebruik van (open) onderwijs(materiaal) kunnen zijn (Jisc, 2015; Schuwer, 2015B):

• Onbekendheid met beschikbaar materiaal

Het aanbod aan open en online onderwijs(materiaal) blijft toenemen, maar een goed overzicht van de onderwerpen en onderwijsmaterialen blijft moeilijk. Daar komt bij dat de open component nog zeker geen gemeengoed is. OER heeft (in Nederland) een veel lagere naamsbekendheid dan MOOC’s. En het onderwijsmateriaal dat in MOOC’s wordt aangeboden, is slechts beperkt beschikbaar onder een open licentie. Dit bemoeilijkt de mogelijkheden tot hergebruik en maakt het vanuit juridisch oogpunt ingewikkelder. De complexiteit rondom wat wel en niet is toegestaan, maakt het er niet makkelijker op.

• Kwaliteit

Ook de kwaliteit van het aangeboden onderwijs(materiaal) kan sterk variëren. Dat maakt het voor de individuele docent moeilijk om de kwaliteit te beoordelen. De combinatie met de vindbaarheid en onbekendheid binnen het aanbod verkleint de kansen op hergebruik.

• Zoektijd

Uiteindelijk kost de zoektocht naar passend en kwalitatief voldoende onderwijs(materiaal) ook tijd. De vraag doet zich voor of de benodigde tijd voor het zoeken en beoordelen van onderwijsmateriaal opweegt tegen het zelf ontwikkelen ervan. Recent heeft SURF (2015) opdracht gegeven tot een landelijke verkenning naar in hoeverre de bibliotheken een rol spelen bij open en online onderwijs. De van oudsher bekende expertisegebieden van bibliotheken (informatievaardigheden, auteursrecht, ontsluiten en opslaan content, kennis delen) worden steeds relevanter. In samenwerking met het onderwijs zouden bibliotheken open en online onderwijs verder kunnen helpen en hergebruik van onderwijsmaterialen stimuleren.

• Bruikbaarheid binnen de eigen context

Buiten het ‘not invented here’-syndroom is ook de context waarbinnen het onderwijs(materiaal) wordt hergebruikt van belang. Onderwijsmateriaal wordt binnen een bepaalde context met een bepaald doel ontwikkeld. Dat doel is doorgaans zo specifiek dat het de bruikbaarheid ervan voor anderen negatief beïnvloedt. Anderzijds zorgt geschikt maken van onderwijsmateriaal voor hergebruik ervoor dat de effectiviteit ervan voor de eigen context daalt (Wiley, 2015).

Naast deze operationele hindernissen zijn er ook vraagstukken op beleidsniveau die adoptie van open online onderwijs in de weg staan. In de strategische workshops werden het gebrek aan visie op open onderwijs, accreditatievraagstukken ten gevolge van het inzetten van MOOC’s en een onduidelijk verdienmodel als hindernissen benoemd (Janssen et al., 2014). Ook wettelijke bepalingen zoals verplichte contacturen en het vestingsplaatsbeginsel beperken het inzetten van MOOC’s in het campusonderwijs en hebben consequenties voor de verdere ontwikkeling van open en online onderwijs.

Ontzorgen docent

De lijst met mogelijke barrières voor hergebruik lijkt lang, maar is zeker niet onoverkomelijk. Volgens Christien Bok, programmamanager Onderwijs op maat bij SURFnet, ligt de sleutel voornamelijk hier: “Heel veel tijd voor en heel veel support voor docenten, dat lijken de belangrijkste ingrediënten om online onderwijs in het campusonderwijs te integreren in een succesvol blended concept” (Bok, 2015).

En wellicht ligt de voornaamste oplossing wel in een cultuuromslag. Openheid is, boven de praktische mogelijkheden, toch vooral een mindset, waarin delen centraal staat. En daar is een cultuurverandering voor nodig.

Kansen voor de toekomst

Gelukkig zijn er ook argumenten te formuleren om wel met OER aan de slag te gaan. Schuwer (2015B) benoemt in zijn lectorale rede naast de in dit artikel al genoemde kostenmotieven en profilering ook een moreel argument: onderwijsmateriaal betaald met publiek geld moet publiek beschikbaar zijn. Daarnaast beargumenteert hij dat open publiceren een duidelijker beeld geeft over wat er aanwezig is bij een opleiding of faculteit en dat studenten zo een betere indruk van inhoud en kwaliteit van de studie krijgen.

We moeten in het oog houden dat hergebruik geen kwestie is van ‘plug & play’. Onderwijs(materiaal) kan niet zomaar worden ‘ingeplugd’ zodat het automatisch aansluit bij de context van de gebruiker. Uiteindelijk betekent hergebruik van onderwijsmateriaalvan anderen dat het gehele onderwijsontwerp moet worden aangepast (Sloep, 2014). Bovendien zijn veel OER en MOOC’s Engelstalig. Gelukkig blijkt uit een kleinschalig studentenonderzoek van het lectoraat Open Educational Resources bij Fontys Hogeschool ICT dat dat geen grote hindernis voor studenten is (Groenemeijer et al., 2015).

Uit de strategieworkshops bleek ook dat hbo-instellingen vrezen hun regionale identiteit te verliezen wanneer de ontwikkelingen naar globalisering door open en online onderwijs doorzetten. Desondanks denken wij dat de vele levenlangleren-trajecten die in het hbo van start gaan, kansen bieden voor de toekomst van open en online onderwijs. Daarin wordt onderwijs blended ontwikkeld samen met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Bespiegelingen

Hergebruik van onderwijsmateriaal lijkt nog geen grootschalige trend binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Waar het zelf ontwikkelen van open en online onderwijs voornamelijk past bij het profileren van richtingen waarin je uniek bent, liggen er ondanks de barrières wellicht wel grote kansen in hergebruik. Kwalitatief hoogwaardig onderwijs wordt steeds toegankelijker. Onze studenten zien het kwalitatief hoogwaardige onderwijsaanbod en we kunnen hen niet kwalijk nemen dat ze hier kieskeuriger door worden. De uitspraak van Thomas Friedman (Friedman, 2013) is alom bekend: “When outstanding becomes so easily available, average is over.” We zouden ons misschien moeten afvragen of bijvoorbeeld basisvakken nog wel zelf ontwikkeld moeten worden, of dat er mogelijkheden liggen in het hergebruik of erkenning van kwalitatief hoogwaardige basisvakken. Het blijft uitdagend om deze vraag hardop te stellen, en wellicht is het in de fase waarin het Nederlandse hoger onderwijs zich nu bevindt nog een ver-van-mijn-bedshow. Toch gaan de ontwikkelingen op wereldwijde schaal soms sneller dan we denken. En als we ons de vraag over hergebruik niet nu al stellen, zijn we op de langere termijn waarschijnlijk niet goed voorbereid op wat gaat komen. In elk geval bieden de ambities van minister Bussemaker (Ministerie van OCW, 2015) om in 2025 al het onderwijsmateriaal onder een open licentie te delen en te laten uitwisselen alvast aanknopingspunten. Tevens willen we instellingen oproepen om elkaars MOOC’s te erkennen. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet om hergebruik mogelijk te maken, maar we zijn er nog niet.

MartijnJudith

 

Bibliotheek Ligne en innovatie

Zoals ik je al eerder geblogd heb, Marcel, ben ik lid van de Adviesgroep Innovaties Bibliotheek Ligne. In dit clubje zijn al diverse ideeën besproken. Sommige gemakkelijke te realiseren (als je een zak vol centen hebt) zoals grote schermen in de samenwerkingsruimte en touchscreens & sommige zijn ook heel goedkoop, zoals een feel good bord onder ander de trap om mensen tot meer bewegen te stimuleren, zie dit verkeersbord in Den Haag :).

In de herfstvakantie was ik in Het Noordbrabants Museum in ‘s-Hertogenbosch en daar zag ik zo’n ontdek en doe tafel. Maar wat ik nog leuker vond was de vloeranimatie. Op de vloer was de provincie Noord-Brabant gepresenteerd, door op een plaats te gaan staan activeer je het beeld van een bepaalde periode in een Brabantse plaats. Ik moest natuurlijk even op Bergen op Zoom staan 🙂

ontdekdoetafel

vloer1

vloer2

vloer3

Zo’n vloeranimatie lijkt me ook wel wat voor in Ligne. Leuk voor klein én groot!

Waar we het eigenlijk te weinig over gehad hebben is gaming in de bibliotheek. Wij hebben samen al eens sessies gehad met bibliotheekcollega’s over gamification van informatievaardigheden. De lessen Informatievaardigheden maken onze collega’s steeds interactiever, o.a. met Shakespeak. In dit bericht lees je dat met Augmented Reality ook de bibliotheekruimte steeds interactiever kan worden. Zie ook onderstaand filmpje

En wat volgens mij gewoon een must moet zijn, is een ED-/X-/FAB-lab. Dit is wat lastiger te realiseren, niet wat betreft aanschaf van materialen maar vooral om voldoende en deskundig personeel hiervoor beschikbaar te hebben.

Daarnaast zou een Seats2Meet-achtig aanbod niet misstaan in de Bibliotheek Ligne, dat aangevuld met ruimtes zoals BBox van Hotel Beaumont in Maastricht 🙂 Zo’n fishbowl-opstelling voor inspiratiesessies met studenten, medewerkers, voor zzp-ers en studenten van Zuyd Academy lijkt mij een goede investering. Het is maar een idee hoor 😉

Dit blogje heb ik geschreven omdat ik woendag niet bij de Adviesgroep kan aanschuiven.

Groet, Judith