Categorie archief: Didactiek

Geen wetenschappelijk bewijs voor leerstijlen

Hallo Marcel,

Tussen de middag had ik met mijn collega’s MLI-alumni een gezamenlijke lunch. Het was voor de 2e keer dat we samen kwamen na de afronding van onze studie. De 1e keer was het een gezellige lunch in de Hoeve. Heel leuk maar een master wil natuurlijk meer 🙂 Mamette stelde voor om tijdens het nuttigen van ons broodje ook inhoudelijk te sparren. Zij wilde graag onderstaand filmpje met ons bespreken

Tsja leerstijlen. Het blijkt hardnekkig. Ik weet nog dat ik tijdens de eerste module op de MLI al gezegd heb dat leerstijlen een onderwijsmythe is, het is niet wetenschappelijk bewezen. Ik had dat namelijk gelezen in het boek van Pedro De Bruyckere en Casper Hulshof ‘Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs’. Zij schrijven

Je lessen aanpassen aan leerstijlen van je leerlingen? Nauwelijks wetenschappelijke evidentie voor de verschillende indellingen, geen bewijs voor meerwaarde in de klas,

Heel veel onderwijsexperts hebben zo hun bezwaren op de vele leerstijlenmodellen die bestaan. Ook Paul Kirschner en Jeroen van Merriënboer noemen leerstijlen een broodje aap. Zij verwijzen net als De Bruyckere en Hulshof naar een onderzoek van Coffield, Mosely, Hall en Ecclestone (2004). Zij onderzochten 71 verschillende indelingen in leerstijlen. Als je uitgaat van de voorzichtige aanname, zo schrijven Kirschner & Merriënboer, dat elke leerstijl leerlingen indeelt in slechts twee categorieën, dan zijn er al 2 tot de macht 71 en dat zijn 2.361.183.241.434.822.606.848 mogelijke combinaties. Er zijn dus veel meer combinaties van leerstijlen dan dat er mensen leven op aarde!  

In ons gesprek concludeerden we al dat onderwijs van de faculteit Gezondheidszorg niet gebaseerd is op leerstijlen, maar ook niet op leervoorkeuren. Ik denk zoals ik al eerder geblogd heb dat het goed is om onderwijsinhoud op verschillende manieren aan te bieden. Weg met leerstijlen, leve de variatie, schreef Wilfred Rubens ook al (zie ook de reacties op het blog). En zo is het maar net!
Echter tijdens de SLB is de leerstijlentest van Kolb (denker, doener, dromer, beslisser) voor sommige gezondheidszorgopleidingen wel het uitgangspunt van de gesprekken. Wordt hiermee niet te snel stempeltjes gedrukt? Leren is niet altijd cyclisch, denken en leren verlopen veelal grillig. Leervoorkeuren kunnen wijzigen, en zijn ook afhankelijk van omstandigheden, zo concludeerden we.

Kijk, zo doen masters dit. De vraag stellen, en dan in gesprek gaan of hetgeen we doen goed doen. Mooi om te zien.
Mijn manier is om daar dan weer een blogje over te schrijven om mijn collega’s wat extra leesvoer en onderbouwing te geven voor het gesprek dat zij aangaan met hun collega’s.

De volgende keer mag ik de masterlunch voorbereiden. Ik ga ze iets vertellen over RSS 🙂 Ze willen graag bij blijven op het gebied van leren en innoveren. En dat kan je niet beter doen dan met deze, één van mijn meest favoriete, technologie.

Groet,
Judith

PS Ik ben wel benieuwd hoe nu 2 jaar later op de MLI over leerstijlen wordt gedacht en gesproken.

Half uurtje later …

Via mail kreeg ik een reactie van collega en MLI-er Ad Hoen op mijn blog

Dag Judith,

Vergeet hierbij niet de leerstijl Vermunt! Ik heb in de MLI de paper hierover geschreven, een uitgebreide analyse gedaan in de kenmerken van de leerstijl vanuit verschillende invalshoeken. Er wordt een driedeling gemaakt in cognitief, affectief en metacognitief, waarbij met name de laatste van groot belang is om de betere student te herkennen. GZ heeft in het verleden de leerstijltest voor studenten gebruikt, gebaseerd op Vermunt, met feedback op de score die de student na het invullen van een vragenlijst ontving. Ik heb de afgelopen jaren regelmatig 1e jaars studenten met een verkorte lijst in scores gevisualiseerd, werkt goed en geeft een beeld van de samenstelling van groepen in een cohort. M.a.w.: het hanteren van leerstijlen heeft ook voordelen en biedt handvatten, zou bijv. ook richting Learning Analytics interessant kunnen zijn.

Dank voor je reactie Ad.

De theorie van Vermunt gaat meer over leerstrategieën dan over leerstijlen. Vermunt verbindt motivatie en gedrag, terwijl Kolb daar geen uitspraken over doet. Volgens De Bruyckere en Hulshof is meer bewijs voor gevonden (betrouwbaarheid, validiteit) voor Vermunt dan voor Kolb.

Mijn bezwaar mbt leerstijlentest is het indelen van studenten in hokjes. Leervoorkeuren zijn immers aan verandering onderhevig. Als de test inzage geeft in eigen leren, dan kan ik me voorstellen dat het voor de student behulpzaam kan zijn. Over de relatie met learning analytics heb ik nog niet nagedacht.

28 april Via Pedro De Bruyckere geattendeerd op onderstaande duidelijke (wat lange) toelichting.

Good Thinking! – Sending “Learning Styles” Out of Style from Smithsonian Science Ed Center on Vimeo.

Ilja Klink over de Nederlandse School

dNSHa Marcel,

Vanmorgen was ik op uitnodiging van collega Jos Laugs (Popup-school) aanwezig op de Academie Beeldende Kunsten Maastricht (Fine Arts & Design in Education) bij een informele bijeenkomst met Ilja Klink.

Ilja Klink (voormalig rector Hyperion Lyceum, zie Tegenlichtuitzending ‘De onderwijzer aan de macht’) is initiatiefneemster en nu directeur van de Nederlandse School. Het was zoals Jos wilde: ‘small and special’. Het was een ontmoeting en kennisuitwisseling met zo’n 15-20 mensen uit verschillende hoeken van Zuyd, van student tot collegelid zat rond de tafel.

In het popcorn-voorstelrondje kreeg ik een beeld van de onderwijsvernieuwers die aanwezig waren: competente rebellen die open willen samenwerken, van elkaar willen leren en bereid zijn hun kennis te delen. Veranderen moet het en wel nu! Ontschotten is nodig, naar buiten toe gericht maar vooral met aandacht voor elkaar. Alles draait om relatie en verbinding, aandacht en betrokkenheid tussen studenten en docenten, tussen studenten onderling, tussen docenten, tussen docenten en management.

Precies waar het bij de Nederlandse School omdraait. dNS is geen opleiding maar een ontwikkeltraject voor bevoegde docenten, zo vertelde Ilja. In anderhalf jaar (800 uur) jezelf ontwikkelen. Je ontvangt geen master diploma maar je bent daarna wel meester-docent 🙂 Het uitgangspunt van dNS is het onderwijs weer teruggeven aan de docent. De docent maakt het verschil in de relatie tot de student, zij zijn een rolmodel. Dit jaar is een pilot gestart met subsidie van het ministerie. Ze bieden 3 programmalijnen aan:

  • Onderzoek. Niet wetenschappelijk onderzoek maar zelfonderzoek.
  • Ontwerpen. Vooral experimenteren om tot onderwijsvernieuwing te komen.
  • Ondernemen. Gericht om de buitenwereld en netwerken. Die expert (supernova) binnen halen en om hulp vragen.

dNS heeft geen eigen onderwijsgebouw, ze komen samen op steeds andere uitdagende plekken: bankgebouw, museum. Er ligt geen curriculum vast, het programma is constant in beweging. Dat is wat anders dan de Master Leren en Innoveren, dit is écht leren en innoveren. Ik ben enthousiast, ik ben een ‘believer’. Na de afronding van de MLI heb ik me voorgenomen me niet meer vast te leggen in een formele opleiding en nee nu ook even niet in een ontwikkeltraject van 800 uur om vervolgens vanuit Maastricht het hele land door te crossen.

Het krachtige van dit concept is om vanuit een opleiding, faculteit of hogeschool met enkele collega’s deel te nemen. Op deze manier de onderwijspioniers van Zuyd te ontwikkelen en zo onderwijsvernieuwing binnen Zuyd een push forward te geven.

De Nederlandse School Pilot from Nederlandse School on Vimeo.

We kregen nog een inspirerende break voorgeschoteld door studenten. Daarover een ander keer meer. Uiteraard heb ik hen om een gastblogje gevraagd. Komt er aan!

Jos vroeg ons om in een mail in een paar zinnen aan te geven wat we meenemen uit deze bijeenkomst.
In ieder geval ben ik weer bevestigd in het feit dat op Zuyd echt mooie dingen gebeuren die breder gedeeld zouden moeten worden zodat meer mensen die er open voor staan er van kunnen leren. Docenten, zo werd gezegd, moeten het ontwikkelproces van studenten kunnen faciliteren. Ik wil het kennisdelen van docenten faciliteren. Voed me maar met mooie Zuyd initiatieven. Ik deel het wel verder via ons Shared2Use of via de gelijknamige rubriek op het blog van het I-team en natuurlijk via de Nieuwsflits. Als kennisdeler verspreid en zaai ik de zaadjes wel zodat die duizend bloemen overal kunnen gaan bloeien.

Ik schreef ruim 3 jaar geleden al een blog over aandacht schenken en citeerde Jim Stolze: “alles wat je aandacht geeft groeit”. Daar draait het om: écht gezien én gehoord worden. Dat willen studenten, en ook docenten. Zo leren en groeien we. Samen.

Groet,
Judith

Carpe Diem #onderwijsontwerpen

Ha Marcel,

In jouw blog hoe je een student online kunt ‘grijpen’ refereer jij naar een Blackboard top 5 waarin al eerste tip wordt genoemd: “Probeer je conversaties zo persoonlijk mogelijk te maken, aangepast op de behoeften van je doelgroep”. Ik moest meteen denken aan het Five stage Model van professor Gilly Salmon van de Swinburne University of Technology. Ik ben groot fan van haar model. Ik heb het ook gebruikt voor het ontwerp dat ik gemaakt heb voor MOOCZI ihkv mijn studie. Ik heb al op verschillende blogs over haar model geschreven. In de serie #onderwijsontwerpen hoort zij ook thuis.

Five stage Model

FiveStageModelWaarom ik zo enthousiast ben over haar model? Omdat zij in haar Five Stage Model de stappen laat zien om een klimaat te creëren om samenwerken te bevorderen waardoor beter kennis gedeeld wordt. Het framework [pdf] is een gestructureerde opbouw van een online cursus.

Belangrijk lijkt me om in de opbouw van een online/blended cursus rekening mee te houden. Altijd beginnen met een cursus-overzicht, een tijdsplanning en een welkomst-videoclip van de docent(en). Ook vind ik het belangrijk om een aparte button te reserveren voor contactgegevens van de docenten (en medestudenten).

 

Carpe Diem Learning Design

An opportunity to design for participation and get your unit/module/course into fully digital, blended or mobile mode
Gilly Salmon

carpediemDeze methode van Gilly Salmon is een team-based learning design. Op haar website vind je het Carpe Diem Workbook [versie 17012015] en nog meer bronnen zoals slides en videos. Carpe Diem proces bestaat uit 6 stappen:

  1. maak een blueprint, gezamenlijk toekomst op de toekomst met de doelen die je wilt bereiken
  2. maak een storyboard, maak het proces van leeruitkomsten, onderwijs en toetsen visueel, hiervoor kan je het five stage model gebruiken
  3. bouw een online prototype met enkele realistische en testbare opdrachten
  4. reality check door collega’s (en studenten), leer van hun feedback
  5. Herzien en aanpassen, kijk nog eens terug naar storyboard en bekijk de feedback
  6. Planning, bouw samen met het team de cursus

Mooi materiaal om mee aan de slag te gaan, lijkt me zo!
groet,
Judith

Eerder geblogd op Joule4jou hier en hier en op MOOCZI.

ICT-docentprofessionalisering: Leer-Ontwikkel-Werk-Samen-Onderzoek-Kennis-Deel

Dank voor je poëtische woorden, Marcel. En je uitdaging om wat er aan te doen 🙂 Ik ben bezig, maar zoals je weet gaan veranderingen in hele kleine stapjes. En ik kan dit niet alleen. We zullen samen de richting moeten bepalen en het pad moeten betreden. Daar gebruik ik ook dit blog voor, om mijn ideeën te delen en te toetsen aan jullie kritische blik.

Het wordt voor mij steeds duidelijker welke weg ik op wil en waar mijn krachten liggen. Zoals al eerder geblogd blijven mijn drijfveren open en online. En mijn ambitie is om samen met docenten te werken aan hun en mijn competenties voor leren en lesgeven met ict al dan niet in een gezamenlijk onderwijsontwerpproces. En dan heb jij drie mooie onderwerpen aangedragen: Gamification, Digicoach, eDingen. Allemaal passend in het (mijn) straatje van ict-docentprofessionalisering.

Learn

CC-BY-SA Created by Jessica Duensing for opensource.com

Onlangs heb ik in opdracht van het management een voorstel geformuleerd hoe ik zie dat nieuwe docenten bij Zuyd geïntroduceerd moeten worden in de systemen en tools van Zuyd. En dit is (inderdaad) nog maar het begin. Dit voorstel betreft vooral een quick start tav instrumentele vaardigheden. Terwijl ict-docentprofessionalisering daarnaast ook nog bestaat uit informatievaardigheden (mediawijsheid, auteursrechten etc) en technologische vaardigheden die meer het toepassen van kennis van ict in een vakdidactische context omvatten. Hiervoor is binnen Zuyd de BDB, Basiskwalificatie Didactische Bekwaamheid. Ook deze Docentencursus is een begin, want ook voor docenten ligt er een levenlangleren-uitdaging.

Ik heb mijn voorstel geformuleerd als digitaal leerplatform met een kennisbank (met how to-handleidingen) en daaraan een community-functie gekoppeld (waarin elementen uit de gamification ingevoegd zouden moeten worden). Zodat samen geleerd en ontwikkeld wordt. Dit leerplatform is natuurlijk niet alleen beschikbaar voor nieuwe docenten maar voor alle docenten.

Dit voorstel komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Mijn masteronderzoek heette niet voor niets Leren professionaliseren: Leer-Ontwikkel-Werk-Samen-Onderzoek-Kennis-Deel. Ik zal hieronder een gedeelte van mijn theoretisch kader delen.

Ict-docentprofessionalisering

Het professionaliseren van docenten wordt door vele onderzoekers en beleidsmakers gezien om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen (Drent & Meelissen, 2008; Nieuwenhuis, Vink, & Neut, 2013). Docentprofessionalisering wordt beschouwd als een continu ontwikkelproces waarbij alle activiteiten bijdragen aan het verhogen van het competentieniveau en het verbeteren van werkomstandigheden en status (Hildebrandt & Eom, 2011). In de reviewstudie van Van Veen, Zwart, Meirink, & Verloop (2010) naar de effectiviteit van docentprofessionaliseringstrajecten worden een aantal succesfactoren onderscheiden. De volgende kenmerken blijken succesvol: (1) professionalisering moet plaatsvinden in de eigen lespraktijk en moet antwoord geven op vragen uit die eigen praktijk, (2) docenten leren actief en onderzoekend samen met collega’s als eigenaarschap bij de docenten zelf ligt, (3) professionalisering is verankerd in het beleid en in de organisatie, (4) collegiaal en collectief leren. Het onderzoek van Van Veen et al. (2010) is niet specifiek gericht op docentprofessionalisering met betrekking tot het leren en lesgeven met ict. Uerz, Van Loon, & Kral (2014) onderscheiden op basis van een literatuurstudie richtlijnen voor ict-docentprofessionalisering die aansluiten bij de succesfactoren zoals benoemd door Van Veen et al. (2010) met name het uitgaan van de onderwijsvisie, de praktijknabijheid en het eigenaarschap van docenten. Met betrekking tot het  collegiaal en collectief leren (Van Veen et al., 2010) benoemen Uerz et al. (2014) de combinatie van verschillende methoden en werkvormen voor ict-docentprofessionalisering zoals: netwerkleren, leren van feedback, grensoverschrijdend leren in en leren door te experimenteren. Samen met collega’s onderzoekend en actief leren lijkt daarmee een belangrijke voorwaarde voor docentprofessionalisering (Van Veen et al., 2010) maar ook specifiek voor ict-docentprofessionalisering (Uerz et al., 2014).

In het kader van docentprofessionalisering is landelijk veel aandacht voor de vraag over welke ict-kwalificaties docenten in het hoger onderwijs dienen te beschikken. Niet alleen ict-kennis en vaardigheden zijn belangrijk maar ook houdingsaspecten, opvattingen en zelfvertrouwen van docenten spelen een rol bij het inzetten van ict in het onderwijs (Algemeen Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten [ADEF], 2013; Drent & Meelissen, 2008). De houdingscompetenties ten aanzien van leren en innoveren zijn belangrijke factoren voor onderwijsvernieuwing (Bouwhuis, 2008; Thoonen, 2012). Het vertrouwen in eigen competenties en de wil om te verbeteren om nieuwe en moeilijkere taken te volbrengen, zijn hierbij van belang (Bouwhuis, 2008). In de literatuur wordt ict-docentprofessionalisering veelal geplaatst in het bredere kader van onderwijsontwikkeling met ict en wordt het beschouwd als een specifieke vorm van onderwijsinnovatie. Volgens het onderzoek van Drent (2005) naar factoren die innovatief ict-gebruik in het onderwijs kunnen bevorderen dan wel belemmeren, heeft de mate waarin docenten zijn professioneel netwerk benut relatief de meeste invloed op het innovatief ict-gebruik. Het beschikken over voldoende ict-kennis en vaardigheden leidt volgens het onderzoek niet direct tot innovatief ict-gebruik (Drent, 2005). Op basis van vele onderzoeken naar gedragsverandering en verandermanagement draait het bij innovaties vaak om de vraag ‘what’s in it for me?’. Volgens Cuban (2011) beoordelen docenten vernieuwingen veelal vanuit de praktische impact en de consequenties voor henzelf. Veranderingen brengen immers in eerste instantie vaak extra werk met zich mee (Kanter, 2012). Hieruit blijkt dat praktijknabijheid een belangrijke succesfactoren is van docentprofessionalisering (Van Veen et al., 2010) en daarom ook opgenomen als één van de richtlijnen van voor ict-docentprofessionalisering (Uerz et al., 2014).

En bijbehorende literatuurlijst.

Groeten,
Judith

Gepersonaliseerd en flexibel onderwijs. Waar hebben we het over? #onderwijsontwerpen

Hallo Marcel,

Zoals ik in mijn bespiegelingen over Dé Onderwijsdagen meldde, nog een apart blogje over het thema van deze conferentie: Onderwijs op maat. Tijdens Dé Onderwijsdagen werden 10 good practices gepresenteerd die ook beschreven zijn in het boekje ‘Invulling geven aan onderwijs op maat’.

We schrijven het zo gemakkelijk op, zowel in het visiedocument DLWO waar ik bij betrokken ben, als in het startdocument van Zuyd Academy Professional: het onderwijs (zowel voltijds bachelor als deeltijdonderwijs) moet gepersonaliseerd en flexibel, en dat doen we vooral ‘blended’. Maar wat bedoelen we nu precies? Ik merk steeds vaker dat deze termen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Er ontstaat ruis. Is het niet verstandig om binnen Zuyd eens te definiëren wat we met deze begrippen bedoelen alvorens het komt tot een Babylonische spraakverwarring?

Uit Onderwijs op Maat (p.5): Om onderwijs te kunnen personaliseren, af te stemmen op de persoonlijke voorkeuren van de student, moet het flexibel zijn, zo georganiseerd dat keuzevrijheid mogelijk wordt. Het gaat om keuzevrijheid:

  • om tijd- en plaatsonafhankelijk onderwijs te volgen,
  • in je eigen tempo, met flexibele startmomenten en volgens eigen planning,
  • in de manier van leren,
  • in de leermaterialen die je gebruikt,
  • in de manier waarop je laat zien dat je beschikt over de vereiste kennis of competenties,
  • in het curriculum, zowel in inhoud als in volgorde, en
  • om het eigen curriculum ook met vakken van andere (inter)nationale instellingen samen te stellen.

Dat is nogal wat. Ik denk dat het goed is als in dialoog zowel op meso, marcro als micro niveau deze begrippen binnen Zuyd verduidelijkt worden. Want hoe flexibel en gepersonaliseerd het zou moeten zijn/worden hangt van je doelen af.

Tijdens de Onderwijsdagen was ik bij ik de presentatie van Farshida Zafar van de Erasmus Universiteit. Zij is in 2012 gestart met het opzetten van een nieuwe blended deeltijdopleiding (Fiscaal Recht) omdat de studentaantallen terugliepen. Voornamelijk omdat het deeltijdonderwijs lastig te combineren was met baan en gezin (herkenbaar 😉 ) en studenten vroegen om meer online onderwijs (ook herkenbaar 🙂 ).

Zie haar presentatie en haar slides.ActiveBL

De uitgangspunten van deze nieuwe deeltijdopleiding werden als volgt geformuleerd

  • hoogwaardig academisch onderwijs
  • focus op vaardighedenonderwijs
  • flexibiliteit (tot op zekere hoogte)
  • onderwijsactiviteiten zoveel mogelijk online (dit is wat anders dan alleen maar inhoud online plaatsen)
  • actieve participatie is vereist
  • verantwoordelijkheid voortgang van de studie ligt bij de student

Zij hebben de blend als volgt vormgegeven (ze gebruiken een eigen gebouwd LMS):

Het leren vindt 60% online plaats en 40% face-t0-face. De fysieke aanwezigheid is erg belangrijk voor het netwerken en de academische gemeenschapsvorming. Daarom is de campus zo belangrijk. Alle colleges worden opgenomen (weblectures) omdat veel studenten niet in staat zijn de hoorcolleges fysiek te volgen. Veel kennis wordt aangeboden via kennisclips (max. 10 minuten) die afgesloten worden met een vraag. Er wordt veel gebruik gemaakt van peerreview bij de casusopdrachten vanwege de hoge studentaantallen (Dit deeltijdonderwijs loopt simultaan met het regulier bacheloronderwijs). Docenten kijken steekproefgewijs na en focussen zich op de meest gemaakte fouten. Dit werkt goed.
Er vindt een actieve ondersteuning via forum plaats. Docenten reageren niet onmiddellijk op inhoudelijke vragen waardoor studenten elkaar gaan helpen. Daarnaast gebruikt men ook Facebook voor niet onderwijsgerelateerde zaken (community building) en als ontsnappingsmogelijkheid als het eigen LMS niet bereikbaar is (opgezet na grote EUR-storing).
Studenten vragen met nadrukkelijk om structuur. En docenten hebben ondersteuning nodig. Deze ondersteuning is heel belangrijk! Doe aan verwachtingsmanagement, zegt Farshida Zafar. Studenten willen weten waar ze aan toe zijn. Wanneer heb je tentamens? Zodat je je activiteiten voor een heel jaar kunt plannen: op je werk en thuis. Ook voor docenten is het belangrijk om te weten wanneer zij ingezet worden. Er wordt heel veel aandacht geschonken aan het meenemen van de docenten in het ontwikkelproces. En het kernteam vraagt nadrukkelijk via verschillende kanalen (blokevaluaties, focusgroep, individuele gesprekken) feedback van studenten.
In 3 jaar tijd zijn de studentaantallen bijna vervijfvoudigd.

EUR

Zo leuk om te horen dat Farshida Zafar het I-team als één van de grootste succesfactoren benoemd 🙂 Het was me niet helemaal duidelijk of dit innovatie- en implementatieteam dat uit 6 personen bestaat alleen voor deze deeltijdopleiding werkt. Zo ja, dan is dat een hele luxe situatie. Het team ondersteunt docenten en studenten en heeft korte lijntjes met de ict en av-dienst. Het werkt zoals wij dat altijd al voor ogen hebben.

Een mooi verhaal dat ihkv je betrokkenheid met Zuyd Professional de moeite waard is om te bekijken.
Groet,
Judith