Auteursarchief: Judith van Hooijdonk

Sociaal schrijven

Hi Marcel,

Heb jij wel eens van de term ‘sociaal schrijven’ gehoord? Ik niet.
In de kwartaalbijlage The Optimist (voorheen Ode) van NRC 27 september 2014 kwam de term ‘sociaal schrijven’ voor in een kort interview met Clive Thompson. Hij heeft het boek: We worden steeds slimmer: hoe apps, gadgets en social media ons intelligenter maken geschreven.

Slimmer definieert Thompson als:

hoe leer je dingen, hoe denk je daarover na en kom je tot nieuwe conclusies, wat voor actie onderneem je vervolgens? En daarin kan het internet veel betekenen. Er zijn nu nieuwe manieren om van anderen te leren, omdat we meer in sociaal contact met ze staan. Wanneer we gedachten vormen, hebben we de mogelijkheid er onmiddelijk over te schrijven en ze te delen, of er een video over te maken. Dan kunnen anderen ons meteen feedback geven op die gedachten. Dus dat is hoe het leven online ons slimmer maakt.

Met betrekking tot sociaal schrijven, zei hij:

Een van de manieren waarin ons onlinedenken zich onderscheidt, is dat het heel sociaal is. Elke tweet, elke boodschap die we op Facebook plaatsen, is bestemd voor een publiek. We proberen daarom ons denken te verscherpen om indruk te maken op andere mensen. En dat werkt echt. Wanneer je leerlingen vraagt een essay te schrijven komen ze met een behoorlijk essay, meer niet. Maar wanneer je dat online zet en zegt: ‘Dit wordt wereldwijd gelezen door je leeftijdgenoten’, schrijven ze ineens een scriptie die langer is, met grammaticaal betere zinnen. Ze proberen indruk te maken. Een van de grote verschillen met vroeger, is dat we sociaal schrijven. We proberen meer uit onzelf te halen, en leren van anderen.

Voor mij werkt dat wel zo ja. Zeker met ons blog.
En zoals Thompson in zijn voorbeeld zegt dat kwaliteit van studentproducten omhoog gaat als het online wordt geplaatst, geldt dit voor docenten ook. Op het moment dat onderwijsmateriaal open en online beschikbaar komt gaat de kwaliteit van het materiaal omhoog. Dit is al vaker geconcludeerd (ook in ons MOOCZI-blog). Dat komt aan de ene kant omdat ook docenten indruk proberen te maken 😉 maar ook door de feedback die anderen (het werkveld) kunnen geven waardoor we samen slimmer worden.

OpenSourceWay

opensource.com

Redenen om te investeren in open en online onderwijs zijn reputatie en educatie:
– De kwaliteit van onderwijsmateriaal en de kwaliteit van docenten wordt zichtbaar.
– Doordat het onderwijsmateriaal in (internationale) dialoog kan worden (door)ontwikkeld kan de kwaliteit ervan verbeteren.
Bron

zondaggroet,
Judith

Tussenmeting van mijn rollen en houding #SLB4 #mli

Ha Marcel,

Ja het is weer zo ver. In het begin van mijn studie heb je een SWOT-analyse over mij ingevuld en nu vraag ik je om een tussenevaluatie. Opdracht van school hè 😉

Voor deze meting heb ik weer een nieuw / ander formulier ontvangen. De rollen waarop jij, ik, mijn mli-docenten mij op beoordelen zijn wel hetzelfde gebleven. Namelijk die van: excellente docent, ondernemende ontwikkelaar, reflective practioner en begeleider en gesprekspartner van docenten. De mate van complexiteit wordt beoordeeld van een kleine wijziging naar een substantiële tot fundamentele wijziging. Tja wat versta je onder een wijziging? Levert hetgeen waar ik mee bezig ben ten aanzien van auteursrechten, plagiaat, open en online onderwijs, sociale media een fundamentele wijziging op voor het onderwijs voor heel de instelling? Heel Zuyd? Ja ik werk wel samen met externe partners en expert. Wat ik lastig vind aan dit format is dat ‘gemeten’ wordt op mijn beoogde impact op enkele naaste collega’s naar grotere groep collega’s tot het hele team. Wat is voor mij het verschil tussen naaste collega’s (zijn er 3) tot het hele team (zijn er ook 3 ;)). Daarom heb ik besloten dat alle bloglezers ook tot mijn team behoren 🙂

??????????????????????

free download Graphic Stock

En wil ik jullie allemaal vragen om feedback op mijn rolontwikkeling. Zit ik in deze rollen nog in de ‘roluitbouw’?, of al in de ‘rolconsolidatie’?,  of misschien in ‘rolmeesterschap’? Dat laatste vind ik wel lastig om dat van mezelf te vinden. Het impliceert bijna dan je het dan ‘bereikt hebt’, terwijl ik vind dat ik altijd nog veel te leren heb.

6 oktober heb ik mijn volgende gesprek met Michiel, mijn SLB-er.
Via dit linkje kunnen jullie het formulier downloaden (docx) en als jullie het willen invullen dan graag uiterlijk 3 oktober mailen naar judith.vanhooijdonk@zuyd.nl dan kan ik het als input meenemen naar mijn SLB-gesprek.

Ben benieuwd ….. 🙂

Groeten,
Judith

In het 2e leerjaar begin ik aan de zogenaamde integratiefase. Op het eind van dit studiejaar moet ik in een beeldverslag laten zien welke rollen ik op welk niveau beheers en welk zichtbaar gedraag ik hierbij aan neem. De tip was zoveel mogelijk te verzamelen over je rolontwikkeling. Gelukkig heb ik mijn blog 🙂 Mijn andere blogposts over SLB – MLI

SLB 3 – Bezieling
S
LB3 – “Nu nog onnavolgbaar” 😉
S
LB2 – Eerste studiepunten binnen LA1
S
LB2 – Storyline
S
LB1 – Mijn 1e SLB-gesprek
S
LB1 – Leeragenda ter voorbereiding 1e SLB-gesprek

Op naar een autonomie-ondersteunende leeromgeving #mli

Hoi Marcel,

Dit weekend viel het nieuwste nummer van OnderwijsInnovatie, het kwartaalblad van de Open Universteit, in mijn brievenbus. Hierin las ik een bijdrage van Anouke Bakx, de academic director van mijn masteropleiding Leren en Innoveren. Samen met Fontys docent Van Lieshout houdt zij een pleidooi dat docenten meer gebruik moeten maken van autonome motivatie ter voorkoming van de hoge uitval van eerste jaars hbo-studenten. Vijftig procent van hen geeft namelijk aan dat gebrek aan motivatie reden is om te stoppen of van studie te veranderen.

Als MLI-student weet ik inmiddels alles af van motivatie 😉 . In elke paper of onderzoeksvoorstel van mijn medestudenten en mij komt de ZelfDeterminatie Theorie van Ryan & Deci wel aan de orde. De drie pijlers voor de basisbehoefte van intrinsieke motivatie volgens deze motivatietheorie zijn: het gevoel van competentie, autonomie en sociale verbondenheid. Hoe meer intrinsiek gemotiveerd hoe hoger de leeropbrengsten. In dit artikel wordt nog de onderverdeling gecontroleerde en autonome motivatie besproken. Gecontroleerde motivatie vindt plaats in een omgeving met straffen, belonen en ‘moeten’. “Autonome motivatie brengt extrinsieke en intrinsiek met elkaar in verband. Externe factoren die samenhangen met extrinsiek motivatie kunnen namelijk intrinsieke motivatie faciliteren.” Dit ontwikkelt zich het beste in een autonomie-ondersteunende omgeving.

Hiermee wordt een leeromgeving bedoeld waarbinnen studenten ruimte hebben om hun eigen keuzes te maken en waarbinnen docenten openstaan voor vragen, opvattingen en gevoelens van studenten.

[Dat willen we wel hè?]

autonomeleeromgeving

Volgens de literatuur blijkt dat studenten in een autonomie-ondersteunende leeromgeving floreren. Dit blijken docenten niet zo gemakkelijk te kunnen bieden vanwege de groeiende sturing op kengetallen, waardoor docenten weer hun autonomie verliezen….

Het lijkt voor sommige docenten veiliger om precies voor te schrijven wat er moet gebeuren, zodat ze het idee hebben studenten klaar te stomen voor de toets, de te bewijzen competenties of andere afrekeninstrumenten.

[Goh …]

Ja, drijfveren zetten aan tot leren. “Wat houdt hen eigenlijk bezig en waarvoor lopen ze warm? ” Illeris zei dit ook al. Om deze drijfveren te vinden is een zekere pedagogische sensitiviteit (op het goede moment het juiste doen in het ogen van de student) van de docent nodig.

Het gaat in onderwijs niet alleen om het overbrengen van expertise of de mate van expertise van de docent, een belangrijk element van goed onderwijs is de interactie tussen docent en student.

[Dat weten we wel hè?]

De schrijvers verwijzen naar de publicatie van Van Manen: Weten wat te doen wanneer je niet weet wat te doen, waarin het gaat over de pedagogische sensitiviteit in de omgang met basisschoolleerlingen. Dit geldt volgens Van Lieshout en Bakx niet alleen voor leerlingen, maar ook voor hbo-studenten.

Vanuit pedagogische sensitiviteit ziet de docent waar de student behoefte aan heeft, wat hem motiveert en wat hem eventueel belemmert in het studeren.

[Zou dit ook niet van toepassing zijn op MLI-studenten?]

Als student heb ik wel behoefte aan zo’n autonomie-ondersteunende leeromgeving, en lekker blended 🙂 waarin hopelijk ook ict (als didactisch toepassing) deel van uitmaakt ;). Voor nu blijft het nog bij een idealistische gedachtengang die dan wel door wetenschappelijk onderzoek aangetoond is, maar in de weerbarstige praktijk nog steeds niet realistisch blijkt te zijn.

Alle citaten en de afbeelding komen uit het artikel. Uiteraard even een verwijzing volgens de APA-regeltjes. Alle punten en komma’s op de goede plek? 😉

Lieshout, S. van, & Bakx, A. (2014). Pedagogische sensitiviteit stimuleert autonome motivatie. Onderwijsinnovatie, 16(3), 38-39. Retrieved from http://www.ou.nl/documents/10815/36316/OI_2014_3_PedagogischeSensitiviteit.pdf 

Fijne maandag!
Judith

Blended learning #moocblou

Hoi Marcel,

Jij weet ook dat binnen Zuyd opleidingen in ontwikkeling zijn die dat volgens het ‘Blended Learning’ principe willen vormgeven. Over de term ‘Blended Learning’ zijn de meningen verdeeld. Blended Learning is meer dan alleen een combinatie tussen online en f2f (is een skypegesprek ook f2f? ;)) onderwijs. Paul Kirschner vindt dat al het onderwijs ‘blended’ is omdat het gaat om een goede mix te realiseren van technieken, gereedschappen en didactiek. Het interview tussen hem en Wilfred Rubens bekeek ik ter voorbereiding op de MOOC Blended learning ontwikkelen van de OU.

BLCC

Video openen via de Common Craft website

Als I-adviseur word ik regelmatig gevraagd om mee te denken over onderwijsvernieuwing, de term ‘blended learning’ valt daarbij regelmatig. Dat was de reden om mij in te schrijven voor deze MOOC, wetende dat ik te weinig tijd heb om deze goed te volgen. Ik hoop er wat graantjes van mee te kunnen pikken. De uitgebreide bronnenlijst heb ik inmiddels al opgeslagen ;). En ik heb wat algemene leeractiviteiten (voorstellen, reageren, like’s geven) afgevinkt.

Onlangs had ik een (e-mail) discussie over de vraag of je 21st century skills (zoals, samenwerken, communicatie, kritisch denken) ook (alleen) via Blackboard kan stimuleren? Alleen maar omdat Blackboard de standaard leeromgeving is? Het is natuurlijk vanuit onderwijs/cursusorganisatie handig om alle functionaliteiten van je onderwijs in één omgeving te stoppen. Ik zie ook de voordelen vanuit beheer, ondersteuning. Ik weet ook dat studenten gebaat zijn bij een gestructureerde, veilige, vertrouwde leeromgeving. En dat er ergens een punt moet zijn waar alles bijeenkomt en verzameld wordt, ook ivm accreditatie. Maar is het ook niet taak van het onderwijs de studenten ook uit te dagen tot buiten de aangeboden kaders te denken en te opereren? Ook op het gebied van digitale competenties? Gaat het bij Blended Learning misschien ook om een integratie van open, persoonlijke leeromgevingen en gesloten, institutionele leeromgevingen?

Via een blogbericht van Wilfred Rubens ‘van elektronische leeromgeving naar learning ecosystem’ werd ik geattendeerd op de ‘7 Things You Should Know About…”-serie’ van Educause Learning Initiative (ELI).

In de 7 things schetst Educause de ontwikkeling van een Learning Management System die vooral vanuit onderwijsmanagement (documentbeheer) naar leeromgeving die meer vanuit de lerende zelf (eigenaarschap bij de lerende, zelfsturing) wordt georganiseerd en gefaciliteerd. Ik vind Blackboard (die ik als medewerker gebruik) maar ook N@tschool (mijn studie-omgeving) niet interactie en participatie bevorderend. En eerlijk gezegd …. dat ligt niet alleen aan het systeem ….
De visie van Educause sluit ook aan bij de visie van SURF op DLWO (de burchtmetafoor) waarbij officiële informatie binnen de muren van de instelling moet blijven maar dat onderzoeken, studeren, leren en werken ook plaats kunnen vinden met diensten en applicaties die zowel binnen als buiten de burcht kunnen bevinden.

Ik zie deze ‘blend’ wel zitten. Maar ik ben dan ook een voorstander van social learning 🙂 .
Judith

Waarderend onderzoeken #mli

Het blijft worstelen met mij en mijn onderzoek, Marcel. Ga ik voor de beoordelingscriteria of volg ik mijn eigenwijze pad? Tsja en dan krijg ik zo’n geweldige leestip van mijn studiemaatje Cindy.

In de Canon van het Leren staat een bijdrage van Saskia Tjepkema en Luc Verheijen over Appreciative Inquiry waar David Cooperrider de grondlegger is [via blog Kessels & Smit].

Appreciative Inquiry (afgekort als AI): het is een manier van leren en veranderen door dialoog en onderzoek, die zich kenmerkt door een focus op sterktes en kracht, oftewel: ‘what gives life to a system’.

Het uitgangspunt voor AI bij leren of veranderen is niet het wegwerken van tekorten of het oplossen van problemen maar leren en veranderen op basis van successen, groeien door datgene te versterken wat werkt. En gericht op een toekomst die je samen graag zou willen zien. (Weet je nog? ik zie kansen geen problemen 😉 ).

Er zijn een vijftal onderliggende principes:

  1. Het constructionistische principe: hoe we praten, bepaalt wat we doen
    Het social-constructivisme is de basistheorie. Alle kennis komt door waarneming. We leren door menselijke interactie.
  2. Het poëtische principe: organisaties als een verhaal-in-wording
    Door te reflecteren over positieve ervaringen, ontdekken mensen wat werkt en waarom.
  3. Het simultaniteitsprincipe: onderzoek is een interventie
    Onderzoek en veranderen vallen samen.
  4. Het anticipatoristische principe: de verbeelde toekomst is de motor voor verandering
    Visualiseren waar je naar toe wilt (sportpsychologen kennen dit principe al jaren … Mark Lammers ook ;)).
  5. Het positieve principe: praten over wat er is, stimuleert een generatieve dialoog
    Benadrukken wat werkt, zet mensen vanzelf in actie.

Voor dit type onderzoek is een positieve focus essentieel. Dat zou voor mijn onderzoek beteken het probleem omkeren naar een positief doel. Dan moet ik mijn probleemstelling toetsen aan de volgende criteria:

  • is het onderwerp geformuleerd in bevestigende zin?
  • drukt het een verlangen uit?
  • werkt het verbindend, als een roeping voor betrokken partijen?
  • werkt het oprechte nieuwsgierigheid en enthousiasme op?
  • geeft het een antwoord op de vraag: waar zijn we aan het eind van de rit eigenlijk op uit?

Euh ….

AI

Bron: Tjepkema, S. & Verheijen, L. (2012). Appreciative Inquiry. In M. Ruijters & R.-J. Simons (Eds.), Canon van het leren: 50 concepten en hun grondleggers (pp. 77–89). Deventer.

Cooperrider ontwikkelde een proces van 4 fasen: de vier D’s: Discover-Dream-Design-Destiny. In het Nederlands vertaald in 4V’s: Verwonderen-Verbeelden-Vormgeven-Verwezelijken.

Ik heb AI nu ontdekt, ik droom erover, maar of ik dit onderzoeksdesign in mijn onderzoek kan verankeren en verwezenlijken, dat weet ik nog niet. Misschien in de focusgroepgesprekken? Weer stof tot nadenken. Op de website www.lerendoorwaarderen.nl zijn nog instrumenten en werkvormen te vinden die ik wellicht hiervoor kan gebruiken.

Judith

Citaat uit onderstaande TEDtalk

By focusing on when people are at their best we unlock their energy, confidence and commitment to be at their best

Nablog 2 oktober 2014:
Geen licht zonder schaduw …. in de bijdrage van Luc Verheijen op het blog van Kessels & Smit schrijft hij dat waarderend onderzoek niet alleen maar over delen van succeservaringen moet gaan maar dat ook de negatieve emoties een plaats moeten krijgen in een veranderproces.