Ik flip. Jij flipt. Wij zijn geflipt.

Hallo Marcel,

Deze week het artikel in Trouw gelezen over de moderne docent die zijn lesmateriaal gewoon zelf fixt? Het gaat in dit geval om zelf filmpjes maken en je les te flippen (kennisoverdracht vindt plaats via video die studenten thuis bekijken als voorbereiding zodat in de klas samen actief kan worden geleerd). Ik ben een groot fan van die You Tube docenten die prachtige instructievideo’s maken en deze dan ook online delen. En zoals docent Arnoud Kuijpers in het artikel wordt geciteerd “delen maakt het onderwijs leuker en beter” ben ik het helemaal mee eens 🙂

Echter, zowel het maken van (flipped) video’s en deze vervolgens online open delen is binnen onderwijsland, in ieder geval niet bij onze onderwijsinstelling, gemeengoed. Er is zeker veel belangstelling bij onze docenten om zelf video’s te maken, gezien de grote belangstelling voor Pieter’s workshop ‘Weblectures en video in een flipped classroom’. Het maken van goed video instructiemateriaal kost tijd, dat hebben we tijdens ons MOOCZI-project ook ervaren. Volgens Kuijpers kost één minuut film ongeveer anderhalf uur fröbelen, en dan is hij een expert. Er zijn weinig docenten die deze tijd kunnen en willen investeren. En uit onze enquête onder studenten is gebleken dat studenten vooral professionele kennisclips waarderen:

Een nadeel dat ik wel heb ervaren is dat video’s vaak onduidelijk zijn, deze worden zelf gemaakt door docenten. Nadelen zoals bijvoorbeeld: langdradigheid, eentonigheid, lastige en onduidelijke voorbeelden. Niet iedereen is in staat om dit materiaal duidelijk te creëren.

Tsja, door je klas te flippen ben je nog geen moderne docent. En als alles geflipt wordt, staat onze onderwijswereld ook op z’n kop. In mijn ogen hoeft een moderne niet zelf al zijn lesmateriaal te maken, en dat lesmateriaal hoeft echt niet alleen maar video te zijn. (Interactieve) boeken hebben ook hun waarde 🙂 . Frans Droog publiceerde onlangs op zijn blog 6 mythes over flipping the classroom. Flipping  gebeurt volgens hem nog veel te vaak vanuit een technologische visie. We moeten ons realiseren dat het om een pedagogisch middel gaat om actief leren in de klas te vergroten om op zo’n manier inzicht en kritisch denken te bevorderen. Het gaat om het leren van de student die centraal moet komen te staan, niet de kennisoverdracht van de docent.

Wat is een moderne docent? Volgens mij is dat een motiverende betrokken docent die weet hoe hij ict (en niet alleen video) ook didactisch kan inzetten. We leven en leren in een samenleving waarin de verandering centraal staat en zekerheden er niet meer zijn. De open cultuur en de snelheid waarmee deze (technologische) veranderingen plaatsvinden, vraagt om een nieuwe toolset, mindset en skillset. Ik kom dan toch weer uit bij mijn stokpaardje: ‘social learning‘. Marcel de Leeuwe en Wilfred Rubens omschrijven in hun recente publicatie Social learning en leren met sociale media dit als

samenwerkend leren met behulp van sociale media, waarbij de lerende veel controle heeft over wat, hoe, waar en waarmee er geleerd wordt

Participatie in onze samenleving met haar ict en sociale media vraagt om in een bepaalde mate van openheid om relaties op te bouwen, om vrijelijke kennis en ervaringen te delen, om een proactieve houding en het benutten van je netwerk. Dat is wat wij onze studenten zouden moeten leren en meegeven. Dan moeten wij (docenten) dit ook voor-leren, vind ik. Of ben ik ‘social learning‘-blind aan het worden?

Groet,
Judith

En ook het belang van open onderzoek

Hallo Marcel,

Gisteren blogde ik (niet voor de eerste keer) over het belang van open online onderwijs. Over open onderzoek heb ik ook al eens eerder wat geschreven. Vanmorgen kwam een artikel voorbij van Matteo Cantiello over Public-Friendly Open Science (In zijn manifest over de moderne wetenschapper verwijst hij trouwens naar een geweldige illustratie van een PhD-er als boundary crosser 🙂 )

Volgens Cantiello zouden onderzoekers meer tijd moeten besteden aan het communiceren over hun onderzoek, buiten hun eigen wetenschappelijke wereldje. Ze zouden hun data en resultaten op verschillende manieren moeten delen met een groter publiek. Onze wereld is zoveel complexer geworden. We moeten, ook buiten je eigen vakdisciplime, meer van elkaar leren (boudary crossing), zegt Cantiello

openonderzoek

Ik ben het met hem eens. Daarom ga ik na de zomervakantie weer met vernieuwde energie de noodzaak van publicatiebeleid voor Zuyd aankaarten. Uiteraard met aandacht voor open onderzoek en open acces. Ik vind het belangrijk genoeg.

Judith

Het belang van open online onderwijs

Ha Marcel,

Minister Bussemaker presenteerde deze week haar Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek. Ik zag op Twitter jouw vraag hierover.

Ik heb het origineel even gescand op urennorm. Er staat niets explicitet in behalve dan

Open Online Onderwijs, blended learning en ICT kunnen ook heel goed worden ingezet om studenten meer uit te dagen. Door studenten vooraf meer stof te laten bestuderen, via opdrachten, online toetsen, gamification, video’s, en MOOC’s, kan de beschikbare contacttijd anders en beter worden benut (flipping the classroom). Echter, ICT mag naar mijn mening nooit worden ingezet om het onderwijs te extensiveren; juist om minder docenten in te zetten.

Maar contacttijd kan toch ook online plaatsvinden? De minister maakt dit onderscheid niet. Of staat ergens in de wet omschreven dat contacttijd f2f moet plaatsvinden???

Uiteraard heeft OER-lector Robert Schuwer de voorgestelde maatregelen uit de strategische agenda gescand op open onderwijs 🙂 Hij licht deze 2 ambities uit het plan:

  • Nederlandse hogeronderwijsinstellingen blijven internationaal koploper op het vlak van de mogelijkheden van Open en Online Onderwijs. Nederland onderstreept deze ambitie tijdens het Europees voorzitterschap in 2016. Instellingen experimenteren met de mogelijkheden, en passen de lessen toe over de volle breedte van hun onderwijsaanbod. De middelen die beschikbaar komen met het studievoorschot maken het mogelijk de huidige stimuleringsmaatregel voor Open Online Hoger Onderwijs uit te breiden.
  • Alle docenten stellen in het ho in 2025 hun onderwijsmaterialen vrij beschikbaar zodat zij gebruik kunnen maken van elkaars digitale leermaterialen. Verkend wordt of en hoe een (inter)nationaal platform waarop onderwijsmateriaal gedeeld en bewerkt kan worden hieraan bijdraagt. Daarnaast worden instellingen opgeroepen om elkaars MOOC’s te erkennen.

Robert heeft in zijn lectorale rede de argumenten geformuleerd waarom instellingen met OER aan de slag gaan. Op zijn blog laat hij dat in een mooi overzicht zie hoe OER kunnen bijdragen aan verhoging van onderwijskwaliteit. Ik heb het hierover verkort weergegeven

  • Moreel argument: Leermateriaal met publiek geld betaald moet publiek beschikbaar komen; dit heeft niet zoveel effect op de kwaliteit.
  • Financieel argument: De gratis beschikbaarheid van OER haalt een financiële drempel voor toegang weg; heeft in Nederland een beperkte invloed op kwaliteit.
  • Efficiency argument: Hergebruiken van OER voorkomt uitvinden van wielen; dit heeft een grote invloed. OER dat wordt hergebruikt heeft zich al heeft bewezen in andere situaties. Door de open licentie kan materiaal worden aangepast en verbeterd waardoor een hogere kwaliteit leermaterialen ontstaat.
  • Interne communicatie argument: Het open publiceren van leermateriaal heeft potentieel grote invloed doordat transparant wordt welk leermateriaal faculteiten gebruikt kunnen onderwijsprogrammas’s beter op elkaar worden afgestemd.
  • Rendementsargument: Aankomende studenten krijgen een beter beeld van de studie; heeft volgens Robert een beperkte invold op kwaliteit van onderwijs.
  • Innovatie argument: OER publiceren en hergebruiken betekent zowel jouw kennis aan de wereld geven als kennis van elders binnenhalen in je onderwijs; heeft een grote invloed (Zou Khan academy ook zo’n invloed zou hebben gehad op de ontwikkeling van bv. de flipped classroom als de video’s niet open beschikbaar zouden zijn?).
  • Marketing en profilering: Door bestaande leermaterialen open te stellen bereikt de onderwijsinstelling niet alleen de relatief kleine groep ingeschreven studenten, maar ook getalenteerde potentiële studenten, ‘self learners’, wetenschappers en het bedrijfsleven in binnen- en buitenland; heeft een indirecte invloed op kwaliteit van onderwijs.
  • Research argument: Publiceren van OER geeft de mogelijkheid te experimenteren met digitaal leermateriaal; potentieel grote invloed.

Dank je wel Robert voor dit overzicht. Het zijn argumenten waarmee ik binnen Zuyd ook aan de slag kan om beleid op open onderwijs te formuleren. Dat laaghangend fruit van vorig jaar is verrot aan de boom blijven hangen. Wellicht dat nu met de plannen in het kader van LevenLangLeren binnen Zuyd een nieuwe poging gedaan kan worden het rijpe fruit te plukken!

Judith

fruitplukken

CC-BY-SA Valerie Hinojosa

 

Mijn toekomstbeeld van ons onderwijs #ho2025

Hoi Marcel,

Ook het nieuws vandaag gehoord over de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek van minister Bussemaker? In dit(mooie) magazine staan alle verandering in het hoger onderwijs op een rijtje. Geen tijd om alles te lezen? Kijk dan deze animatie van 3 minuten

Het was al langer bekend dat Bussemaker 4000 extra docenten wil aantrekken om het onderwijs kleinschaliger, flexibeler en intensiever te maken. Echt, mooie plannen. En dat er voor docenten die innovatieve ideeën hebben om het onderwijs te verbeteren beurzen ter beschikking worden gesteld, is prachtig. De vraagtekens die de Studentenorganisatie ISO hierbij zet, onderschrijf ik ook.

Van deze docenten wordt veel verwacht, bijvoorbeeld op het gebied van vernieuwende onderwijsmethoden en didactiek. Hierdoor moeten zij op een andere manier les gaan geven en dat gebeurt niet vanzelf’

Maar niet geklaagd! Ik werk graag mee aan dit streven van de minister!

Voor mijn studie heb ik een paar maanden geleden een toekomstscenario gemaakt voor 2030

Toekomstscenario

Klik op de afbeelding voor de Prezi

Als leerteam habben wij gekozen voor het scenario Plaatsafhankelijk en lerende aan het stuur (bij mij ‘Verblijven’).Vervolgens heb ik via een SWOT-analyse gekekeken waar Zuyd in het transformeren naar dit scenario in haar kracht zit en waar bedreigingen zijn. Ik heb uiteindelijk dit toekomstscenario voor Zuyd geschreven (eerder geblogd op Joule4Jou)

Volgens mij bestaat Zuyd in 2030 nog als ontmoetingsplaats waar mensen samen komen om te leren. Mensen zijn en blijven sociale wezens die van elkaar leren. Ook al gaat technologie een steeds grotere rol in ons leven spelen, en lijkt het zo dat we elkaar hiervoor niet meer fysiek hoeven te ontmoeten, vermoed ik dat scholen nog wel blijven bestaan. De huidige aandacht voor ‘Bildung’ in het onderwijs laat volgens mij zien dat persoonlijke ontwikkeling in het onderwijs steeds belangrijker wordt. ‘Bildung’ gaat over zelfontplooiing dat je in staat bent tot moreel oordelen en kritisch denken (één van de 21st century skills). De visie van Zuyd is gericht op het samen leren, samen creeëren, samen werken en samen veranderen. Voor de toekomst wil zij dit gepersonaliseerd aanbieden, dat wil zeggen dat talenten, eigen keuzes en ontwikkelingsbehoeften het tempo, route, niveau, inhoud en volgorde bepalen. De lerende aan het stuur dus.
Om dit toekomstscenario kans van slagen te geven, betekent dat docenten meegenomen moeten worden in dit veranderproces. Dat betekent ook ruimte bieden aan de onzekerheid van de individuele docent die dit soort ingrijpende veranderprocessen mede vorm zal moeten geven.Het inzet van leertechnologieën betekent een andere didactsche aanpak. Docenten moeten hier in ondersteund worden door zogenaamde learning design teams bestaande uit o.a. instructional media designers, informatiespecialisten en onderwijskundigen. Zo kan samen nieuwe lessen en curricula ontworpen worden waarbij ook studenten nadrukkelijk als mede-ontwerpers aan de tekentafel worden uitgenodigd.

Voor dit toekomstscenario staat de ontmoeting centraal dat betekent dat ruimtes uitnodigend moeten zijn waarin verschillende samenwerkingsvormen kunnen plaatsvinden. Studenten zijn eigenaar van hun eigen leerproces dat betekent dat zij via een digitaal portfolio hun talenten en competenties in kaart brengen zodat zij zichzelf kunnen presenteren maar ook kunnen ontdekken waarin zij zich nog zouden moeten ontwikkelen richting het doel dat zij voor ogen hebben. Zuyd wil een praktijkgerichte leeromgeving bieden voor studenten van 17-67 jaar. In co-creatie met de beroepspraktijk in de regio leidt Zuyd professionals op en geeft vorm aan het onderwijs en het onderzoek. Hiermee draagt Zuyd bij aan de concurrentiekracht van een dynamische regio met veel kenniswerkers en een sterke economische motor. De belangrijkste stappen die Zuyd zou moeten zetten op weg naar naar dit toekomstscenario is vooral aandacht te schenken aan de communicatie met alle stakeholders (studenten, docenten, management, lectoraten, beroepsveld). Delen in waar je mee bezig bent zodat je samen goed open en online onderwijs kunt bieden. Een open cultuur creeëren waarbij aandacht is vertrouwen en verbinding. In zo’n professionele leergemeenschap opereert een autonome docent die gewaardeerd wordt voor zijn vakmanschap. Als de student aan het stuur staat, betekent dit een veranderende rol voor de docent, meer als facilitator, coach en stimulator. Voor de student betekent eigen verantwoordelijkheid voor het leren tegemoetkomen aan de psychologische basisbehoeften van intrinsieke motivatie: autonomie, competentie en relationele verbondenheid.

Mijn 5 waarden voor ons toekomstscenario:
Verbinding – Open – Vertrouwen – Inspiratie – Vakmanschap

Verbinding: mensen leren in verbinding met elkaar (social learning) naast online ontmoetingen blijven fysieke ontmoetingen cruciaal voor het leerproces. Leren is fundamenteel sociaal en het bestaat uit samenwerking, relaties, participatie en communicatie (Illeris)
Open: door open kennis te delen dat met de huidige en toekomstige technologie steeds gemakkelijker gaat, wordt nieuwe kennis gecreeërd en daardoor veel geleerd.
Vertrouwen: intrinsieke motivatie is van belang om te willen leren, één van de psychologische basisbehoeften hierbij is autonomie. Autonomie is van belang om de lerende eigenaar te laten zijn van zijn leerproces. Dit kan alleen als docenten dit vertrouwen ook schenken aan de lerende (Ryan & Deci).
Inspiratie: Een uitdagende stimulerende leeromgeving, bestaande uit grote open uitnodigende ruimtes, gepassioneerde docenten en met eigentijdse en gepersonaliseerde leermiddelen
Vakmanschap: We leren samen met het werkveld, leren in nabijheid van ‘voorbeeldige’ leermeesters: het meester-gezel principe (Rijnlandsdenken)

Judith

Onderzoek afgevinkt #MLI

research

CC-BY-NC julochka

Nou Marcel, mijn onderzoek van de MLI is eindelijk goed genoeg bevonden. In 1 keer kreeg ik de beoordeling van zowel mijn onderzoeksvoorstel als onderzoeksartikel binnen (ook wel bijzonder). Het was voor mij onverwachts dat het uiteindelijke artikel in 1 keer goedgekeurd werd. Zelf was ik namelijk niet zo heel tevreden. Maar goed … Ik heb het binnen 🙂 .

Ik heb via ons blog mijn worsteling met het fenomeen ‘onderzoek’ al vaker gedeeld. Ik heb al eens eerder gezegd dat ik soms het idee met een promotietraject ‘light’ bezig te zijn. Wat wilt de MLI nu dat ik leer met dit LA5 traject? Moet ik meer inzichten krijgen in de diverse onderzoeksdesigns die er zijn? Geef me daar dan meer informatie over. Moet ik weten hoe ik een goede enquête te maken? Dan is 2 uurtjes instructie over vragen formuleren wat weinig. Als ik data moet kunnen analyseren? Leer me dan meer over statistiek. Ik heb dit nu allemaal zelf moeten uitzoeken. Uiteraar hebben we diverse bijeenkomsten besteed aan onderzoek, maar voor mij niet ‘just in time’, daardoor kon ik op dat moment niet de juiste vragen stellen. Bij de MLI is nu wel het idee om bij LA5 meer met kennisclips te werken, maar hiervan heb ik nog niet kunnen profiteren. Gelukkig had ik een begeleidster die zich niet zo strak hield aan de vastgestelde feedbackmomenten, zodat ik toch een beetje mijn eigen tempo kon bepalen.

Wat ik vooral onthouden heb van de beginperiode is dat ik vooral valide en betrouwbare instrumenten moest hanteren. Geen idee toen wat hier precies mee werd bedoeld. Daarom heb ik mijn eerste idee om tweets te analyseren losgelaten omdat ik gewoon niet overzag wat de consequentie was van keuzes die ik maakte. Ik heb met diverse onderzoekers gesproken maar ik merkte dat elke onderzoeker weer zijn eigen visie had op het methodisch correct handelen. Hierdoor raakte ik ook in de war. Ik heb me uiteindelijk (heel pragmatisch) geconformeerd aan de beoordelingscriteria van de MLI. Het ontbrak me aan tijd en sparringspartner om echt mijn pad te bewandelen. In mijn blog nav de ORD heb ik je al verteld dat de onconventionele onderzoeksmethoden waarover Bas Haring sprak mij eigenlijk meer aanspreken.

Reflective Practioner volgens de studiegids MLI
De master Leren & Innoveren onderzoekt onderwijs vanuit het perspectief van Leren & Innoveren. Zo voert zij praktijkgericht onderzoek uit, gericht op verbetering van het ondrwijs. Een probleem in de eigen school of verbeterpunt is het startpunt van onderzoek. Bij de uitvoering maakt de master Leren & Innoveren gebruik van expliciete kennis van onderzoeksmethodieken. Zij is in staat om de conclusies en aanbevelingen te implemenenteren in de eigen school en dawrnaast te verspreiden of workschops (disseminatie). De master is in staat de resultaten van door derden verricht onderzoek kritisch op de merities voor de eigen onderwijspraktijk te beoordelen.

Als ik dit zo lees, dan vind ik dat ik dit beheers op rolmeesterschap. En wellicht niet zo zozeer door het onderzoek dat ik heb uitgevoerd. Wat hierbij vooral bij me is blijven hangen is dat probleemstelling en onderzoeksvragen vooral een woordspelletje is. Dat je bij onderzoek vooral maar op één klein stukje focust waardoor je het zich op het groter geheel verliest. Terwijl dat breder kader zo belangrijk is voor onderwijsinnovatie. In mijn onderzoek heb ik uiteindelijk beschreven welke percepties een specifieke docentengroep heeft op het inzetten van sociale media in de netwerken waarin zij participeren om online samenwerken en online kennis delen te stimuleren/ondersteunen. Dat hierbij ook organisatiecultuur, ict-voorzieningen en tijd voor kwaliteit een belangrijke (doorslaggevende) factor spelen wordt dan hierbij helemaal niet meegenomen. Dus wat zegt het dan? Dat docenten wel meer online willen samenwerken maar online kennis delen nog niet zo op hun netvlies staat. Tsja …
En ach het verspreiden van mijn kennis (en van anderen) is mijn tweede natuur geworden. Dat deed ik al voor ik met de master begon, dat heb ik tijdens de master volop gedaan en dat zal ik blijven doen. En niet alleen binnen een workshop, maar ook daarbuiten.

LA5_Poster

Voor mijn integratiefase ben ik bewijs aan het verzamelen dat ik me masterwaardig ontwikkeld heb. In mijn MLI-archieven vond ik deze poster die ik ruim een jaar geleden heb gemaakt om mijn onderzoeksvoorstel te presenteren. En dan zie ik dat na vele vele omzwervingen ik uiteindelijk via andere onderzoeksvraag en andere instrumenten toch wel trouw gebleven ben aan waar ik zo in geloof: ‘social learning’ 🙂

Heb ik niets geleerd? Jawel heel veel, maar dat is niet zo terug te vinden in mijn onderzoeksartikel. Het is vooral het open reflecteren via dit blog, over het onderzoeksproces en over het thema van mijn onderzoek. Ik ben heel goed in staat om aanbevelingen en conclusies te implementeren. Ik ben hier volop mee bezig in het DLWO-visietraject en de constante aandacht voor ict-doepcentprofessionalisering. De ontwerpteams die hierbij zo nodig zijn en die ik graag binnen Zuyd zou willen opzetten. In het kader van Leven Lang Leren projecten komt hier wellicht wat meer ruimte en aandacht voor. Ik blijf er van onderwijs tot CvB hiervoor pleiten.

En kijk, als ik dan zo’n reactie ontvang van degene waarvoor ik het onderzoek heb gedaan, vind ik dat ik het goed doe / gedaan heb en zeggen mag dat ik het niveau van rolmeesterschap van Reflective Practioner behaald heb 🙂

Je ondersteunt ons in ons ontwikkeltraject van het nieuwe curriculum in het vat krijgen op blended learning en dan met name het onderdeel digitale didactiek. Je volgt ons in onze didactische keuzes en inspireert ons in onze zoektocht naar blended learning. Daarin neem je steeds ook de attitude en vaardigheden van de docent mee. Je bent toegankelijk en goed bereikbaar, zowel voor mij als teamleider als voor collega’s

Mijn advies aan de MLI zou zijn (ik kan het toch niet laten 😉 ): Schenk veel meer aandacht aan de onderzoeksmethoden en laat studenten in het begin meer nadenken over de consequenties van hun keuze. Ik heb daar de tijd te weinig voor gehad / genomen. Dit komt (volgens mij) ook omdat het onderzoek als lintmodule werd aangeboden. Het moest tussen/tijdens de andere leerarrangementen, dat vond ik lastig. Ik heb begrepen dat dit volgend jaar gaat veranderen. Hamer als MLI niet zo op generaliseerbaarheid, het gaat toch om een praktijkgericht onderzoek ter verbetering van je eigen onderwijspraktijk? Daarnaast zou ik studenten ook meer stimuleren om vanuit verbetertrajecten een onderzoek te laten inzetten, ipv maar te blijven benadrukken welk probleem er nu opgelost moet worden. Misschien zijn er geen problemen, maar wel kansen! Ik denk dat het goed zou zijn als studenten zouden starten met het bestuderen en analyseren van onderzoeken van derden mbt het onderwerp dat zij gaan onderzoeken, en hierover in gesprek gaan met mede-studenten en begeleider. Ik vond onderzoek doen een eenzame aangelegenheid. Ik had liever samen een onderzoek gedaan. Misschien samen met een studiemaatje een gezamenlijk onderzoek opzetten maar in eigen praktijk uitvoeren? … Dat had ik wel leuk gevonden, denk ik 🙂

Alles wat ik geblogd heb over het MLI-onderzoek zijn natuurlijk mijn ervaringen, reflecties en percepties. Ik weet ook dat mede-studenten lang niet zo’n moeite hadden met het onderzoek dan ik. Waar dat aan ligt? Misschien is dat een leuk onderzoekje waard 🙂

Dank aan iedereen die mij elke keer weer heeft gemotiveerd en gestimuleerd om ook de leuke kanten van onderzoek te laten zien! Want ja die zijn er ook!

Judith