Categorie archief: ICT-docentprofessionalisering

Docentondersteuning bij blended learning

Hallo Marcel,

Tijdens de Onderwijsdagen 2017 werd de publicatie ‘Keuzehulp voor ondersteunen van onderwijsinnovatie met ict‘ al aangekondigd. En vorige week is hij dan gepubliceerd. Voor ons een handig hulpmiddel omdat we nu volop bezig zijn met het bedenken en inrichten van een ondersteuningsstructuur. Zoals je weet, zitten we midden in een migratieproces van Blackboard naar Moodle. We hadden al een ondersteuning met Blackboard key-users en nu zijn een 70-tal DLO-coaches actief om hun collega’s te trainen en te ondersteunen bij het Moodle-klaar maken van hun gemigreerde Blackboardcursussen. Hoewel we nu heel ‘basic’ bezig zijn, denken we ook na over welke ondersteuning Zuyd het beste past als we het hebben over onderwijs (her)ontwerpen met ict.

Tijdens de Onderwijsdagen hebben collega Evelien en ik al de ervaringen van Saxion, Universiteit Utrecht, TU Delft, Erasmus Universiteit Rotterdam en Hogeschool Utrecht gehoord. Van deze vijf hogeronderwijsinstellingen zijn in het 2e deel van de publicatie beschreven:

  • achterliggende onderwijsvisie,
  • de context van de onderwijsvernieuwing (het didactisch concept),
  • inrichting ondersteuning en faciliteiten,
  • docentprofessionalisering en kennisdeling,
  • met welk (innovatie)budget,
  • en de resultaten.

Op basis van deze casussen heeft SURF 5 aandachtspunten en 5 keuzes gedestilleerd voor instellingen die docenten willen ondersteunen bij het tot stand brengen van onderwijsinnovatie met ICT.

Vijf aandachtspunten voor het ondersteunen van onderwijsinnovatie met ict

  1. ondersteun docenten waar mogelijk
  2. stel de onderwijsvisie centraal
  3. maak innovatiebudget vrij
  4. zorg voor communicatie en kennisdeling
  5. bied mogelijkheden voor professionalisering

Vijf keuzes voor het ondersteunen van onderwijsinnovatie met ict

  1. centraal innovatieprogramma of staande innovatie?
  2. bottom-up of top-down?
  3. centrale of decentrale ondersteuning?
  4. experts opleiden of inhuren?
  5. extra waardering of onderwijsinnovatie zien als onderdeel van het takenpakket?

De voor- en nadelen van de bovenstaande keuzes zijn mooi in beelden gevangen:

En Zuyd?

Zuyd is volop in beweging. Opleidingen denken na over hun visie op onderwijs waarbij de term ‘blended learning’ veelvuldig valt. Zuyd is bezig de koers voor de komende jaren te bepalen. Naar mijn beleving biedt ict volop mogelijkheden om onze onderwijskwaliteit op peil te houden. De wereld om ons heen, de arbeidsmarkt verandert in een snel tempo. Het kan niet anders dat technologie hierbij een grote rol speelt. Gelukkig ben ik hierin niet de enige 🙂

Met TOL hebben we in het DC4E-model beschreven hoe het traditioneel contactonderwijs ‘blended’ kan worden (her)ontworpen. We hebben dit verrijkt met een aantal elementen, zoals overzichten van technologische (Zuyd) tools, die dit proces kunnen ondersteunen. Hierin hebben we ook aangegeven dat het herontwerpen van onderwijs steeds meer in co-creatie gaat, waarvoor verschillende expertises nodig zijn op het gebied van instructional multimedia design, learning design, auteurrechten. Mijn o zo gewenste blended design teams!

De aanbevelingen uit de publicatie: rekening te houden met de autonomie van de docent, maar hem/haar zo veel mogelijk dichtbij te ondersteunen, te zorgen voor goede faciliteiten, en kennisdelen stimuleren, passen binnen mijn zienswijze. Docenten hebben vooral voldoende ontwikkeltijd nodig. Tsja, wat is voldoende? Dat blijft altijd discutabel. Mijn ervaring is dat het tijd kost. Heel veel tijd.

In de beschreven ervaringen herken ik veel van ons bloemmodel, maar ook over de versie 2.0 waarin je het model hebt uitgebreid met studenten om zo een learning community te creëren. In de SURF-publicatie staat ook dat de ideale ondersteuningsconcept niet bestaat. We kunnen deze keuzehulp gebruiken om binnen onze situatie die keuzes te maken die aansluiten bij Zuyd initiatieven, faciliteiten en structuren. Kern is wel dat het gaat om investeren in mensen: (in)formele (ict)docentprofessionalisering (notetoself: lees betreffend SURF rapport nog een keer).

Ik ga nu na deze keuzehulp gelezen te hebben, verder aan de slag met de notitie die we aan het schrijven voor de ondersteuningsstructuur Moodle/blended learning.

Groet,
Judith

Bron: SURF kennisbank: Keuzehulp voor het ondersteunen van onderwijsinnovatie met ICT : Inzicht in de organisatie van docentondersteuning. De gebruikte afbeeldingen zijn afkomstig uit deze publicatie.

 

Waarom gebruiken mijn collega’s geen Yammer? #knowmadmooc

Hi Marcel,

Enige tijd geleden werd ik via Wilfred Rubens’ blog Waarom medewerkers vaak geen teamcommunicatietools gebruiken geattendeerd op een blogbericht van zijn naamgenoot Paul Rubens: Waarom jouw collega’s geen Slack willen gebruiken.

Blijkbaar zijn wel veel organisaties bezig met implementatie (of zijn het van plan) van teamcommunicatietools, maar de werknemers zijn hierover niet erg enthousiast. In beide blogs worden argumenten aangedragen waarom medewerkers deze teamcommunicatietools als Yammer, Slack, Link niet gebruiken.

  • Geen urgentie. Je kunt prima zonder. Het is weer een communicatiemiddel naast de o zo volle mailbox en de altijd pingende Whatsapp
  • Slechte gebruikersinterface. Het kan niet concurreren met het gebruiksgemak van Whatsapp, simpele Twitter of de bekende interface van Facebook (misschien dat Workplace van Facebook iets wordt, zou Marketing & Communicatie daar al mee bezig zijn? #dtv)
  • Overbodige functionaliteiten. 
  • Veelheid aan notificaties. Bij al die communicatietools staat standaard meldingen aan. Dit levert nog meer mails in hun overvolle mailboxen. Mensen weten niet hoe met deze tools om te gaan.

Paul Rubens adviseert meer te investeren in professionaliseren, ondersteunen bij het gebruik van dergelijke tools. Het leren filteren van informatiestromen.

Wilfred Rubens vult dat aan met het argument ‘autonomie’. Medewerkers willen graag zelf hun communicatiemiddel kiezen. Daarnaast beargumenteert hij dat teamcommunicatietools beter het synchroon communiceren zou moeten ondersteunen.

Zijn wij in staat de vraag te beantwoorden of werknemers een teamcommunicatools nodig hebben om online samen te werken en kennis te delen? Die vraag dienen we volgens Paul Rubens eerst te stellen.

smartphone-1445489_1920

CC0 via Pixabay

Je hebt misschien gezien Marcel dat dit blog bericht al enige tijd in concept stond. Ik wilde een poging wagen om de vraag die Paul Rubens stelde te beantwoorden. Maar ik liep vast……. het werd een klaagzang, dat wilde ik niet. Ik heb het nu, met de beelden die ik heb opgedaan in de Knowmad MOOC nog eens een poging wagen 🙂

Hebben werknemers teamcommunicatools nodig hebben om online samen te werken en kennis te delen?

Je weet dat ik regelmatig gevraagd wordt een advies te geven rondom sociale technologie, of hierin als communitymanager te ondersteunen. Mijn eerste vraag is dan: Hebben we hetzelfde beeld bij online samenwerken en kennisdelen? Het beantwoorden van deze vraag wordt al vaak uit de weg gegaan. Mijn ervaring is dat beelden verschillend zijn. Men vindt samenwerken en kennis delen ontzettend belangrijk, maar de ambitie om dit online te doen is er veel minder. Het doorbreken van eigen routines om online samen te werken en werkwijzen op elkaar af te stemmen is lastig. De tijd nemen om online kennis te delen en elkaar online te informeren waar men mee bezig is, is een nog lastiger issue. Wilfred Rubens benoemt terecht dat dit type asynchroon communiceren arbeidsintensief is. Veelal wordt samenwerken en kennis delen gezocht in nog meer bijeenkomsten of ‘bila’s’ belegen. Als ik tijdens bijeenkomsten benoem dat informatie/kennis ook online gedeeld kan worden zodat bijeenkomsten effectiever en efficiënter (‘Flipped‘) kunnen verlopen, voel ik weerstand. Nee, ik heb niets tegen inspirerende bijeenkomsten. Wel tegen tijdsverspilling.

We weten dat om een veranderproces in gang te zetten er een motiverende urgentie nodig is. Veelal heeft urgentie te maken met ‘what’s in it for me?’. Misschien, vraag ik me zelf de laatste tijd vaker af, moeten we ons eens de vraag ‘what’s in it for us?’ gaan stellen.

Ik heb deze vraag in de KnowmadMOOC ook gesteld aan John Moravec, auteur van het boek Knowmad Society (gratis te downloaden). Hij reageerde:

OOOOOOOOH. Good question. I really think that we need strong social policies to support a knowmad society. The logic is simple: We all do better when we all do better. Individuals should look for their unique development and improvement, but we also need to support the needs and dreams of everybody.

Dat sluit mooi aan op mijn leerinterventie die ik voor mijn studie heb gemaakt: “Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder” Hierin heb ik onder andere gesteld dat ook het management (met name teamleiders) open moeten staan voor het communiceren via online kennisdeel- en samenwerkingsplatform. Maar ook al staan leidinggevende hiervoor open dan merk ik dat mijn collega’s ‘open’ communiceren (al is dat in een afgesloten Yammergroep) een grote stap (te ver?) vinden. De mail is en blijft een leidende communicatietool.

Collega’s communiceren natuurlijk online met collega’s en studenten via eigen gekozen (autonomie) communicatiemiddelen in groepen als Facebook of Watsapp. Maar voor mij zijn deze tools niet te vergelijken met tools als teamcommunicatietools als Yammer en Slack. Mail, Facebook en Whatsapp zijn communicatiemiddel waarin jij bepaalt met wie je iets wilt delen cq communiceren. Yammer (binnen de organisatiemuren) en bijvoorbeeld Twitter (buiten de organisatiemuren) zijn toepassingen waarmee jij deelt wat je doet/weet. Iedereen die tot dat netwerk behoort kan daar kennis van nemen. Je deelt gul zonder dat je op voorhand weet wie je daar gebruik van neemt. Dat is toch een iets ander uitgangspunt.

Judith

Transliteracy

Dag Marcel,

De afgelopen weken is de vragenlijst die Ankie en ik hebben gemaakt rondom ‘Leren en lesgeven met ict’ weer verspreid onder de deelnemers van de Docentencursus (BDB) maar dit keer ook bij de ontwikkelaars van Zuyd Professional. Het doel van deze vragenlijst is om de beginsituatie ten aanzien van leren en lesgeven met ict voor de docent zelf duidelijk te krijgen. We hebben hierbij gebruik gemaakt van de eindkwalificaties Leren en lesgeven met ict van het iXperium Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Wat we vorig jaar zagen, wat ik in mijn masteronderzoek zag en nu eigenlijk ook weer is dat docenten graag leertechnologie willen inzetten maar vinden dat ze hiervoor onvoldoende digitaal didactische bekwaamheden hebben. De meeste vinden zich wel informatievaardig.

Ik moest hier aan denken toen ik het artikel What exactly is transliteracy? van Suzana Sukovic las.

transliteracy-conceptual-model-sukovic

Transliteracy is an ability to use diverse analogue and digital technologies, techniques, modes and protocols

  • to search for and work with a variety of resources
  • to collaborate and participate in social networks
  • to communicate meanings and new knowledge by using different tones, genres, modalities and media.

Transliteracy consists of skills, knowledge, thinking and acting, which enable a fluid ‘movement across’ in a way that is defined by situational, social, cultural and technological contexts.

Moeten we in plaats van docenten te bevragen of hij is “in staat is online effectief informatie te zoeken en te vinden, de betrouwbaarheid van deze informatie te beoordelen, diverse online informatiebronnen te benutten, informatie van diverse bronnen met elkaar te vergelijken en de gevonden informatie te synthetiseren” eigenlijk niet bevragen over transliteracy? Of hebben we het dan toch weer over 21st century skills? Het lijkt allemaal wel veel op elkaar hè? Het heeft waarschijnlijk meer te maken vanuit welke discipline je deze vaardigheden beschrijft.

Hoe je het ook noemt of beschrijft, deze vaardigheden zijn belangrijk voor elke beroep waar we bij Zuyd studenten voor opleiden. En daarmee ook belangrijk voor onze docenten.

Groet,
Judith

Wat is de optimale ‘blend’ voor Zuyd (Professional)? #onderwijsontwerpen

Hallo Marcel,

Samen zitten we in de Werkgroep Blended Learning van Zuyd Professional. En we vragen ons regelmatig af: wat is de ‘blend’ van Zuyd Professional? En vanuit mijn rol als I-adviseur stel ik ‘m dan ook nog Zuydbreed. In onze visie op de DLWO hebben we al vastgesteld wat we zeggen te willen: gepersonaliseerd, flexibel, online met meer interactie en co-creatie. Dat stelt nogal wat eisen aan de digitale leer- en werkomgeving. Uiteraard is het onderwijs het vertrekpunt. En we zijn niet de enige die hier mee bezig is. Heel hoger onderwijs zo lijkt het wel. En uniek zijn ook niet hoor. In de vorige week uitgebracht thema-uitgave van SURF worden een aantal kenmerkende onderdelen die in veel onderwijsvisies voorkomen die van belang zijn voor de inrichting van de digitale leeromgeving: flexibel en persoonlijk onderwijs waarbij leeruitkomsten centraal staan, die het leerproces inzichtelijk maakt (zowel voor student als docent), waarbij leerbronnen op maat beschikbaar zijn en een omgeving die het samenwerking ondersteunt. De leeromgeving moet een duidelijke herkenbare smoel hebben en het gebruikersgemak is een niet te onderschatte voorwaarden. Herkenbaar? Voor mij wel. Dat geldt ook voor de genoemde succesfactoren:

  • Leiderschap speelt een doorslaggevende rol. Het veronderstelt een samenspel onder de bestuurders.
  • Instellingsbrede consensus met ruimte voor keuzes op opleidingsniveau.
  • Docenten ontzorgen, ondersteunen maar zeker niet het eigenaarschap weghalen. Verantwoordelijkheden delen.
  • Uiteraard professionalisering niet door een groot cursusaanbod maar door gesprekken en samen te doen.
  • Ondersteuning van pioniers. Enthousiaste pioniers zullen hun collega’s inspireren.

En goed weten wat er in hogeronderwijsland gebeurt en speelt. Fijn dat SURF al deze verhalen en ervaringen deelt. Zo ook het voorbeeld van de HU: De optimale blend voor flexibel onderwijs bij Hogeschool Utrecht. Mooi hoe zij via hun BlendedLab hun ervaringen delen. Ook zij kiezen voor een ontwerpbenadering van het onderwijs met het spinnenweb van Van den Akker als uitgangspunt. In onderstaande compilatie krijg je een goede indruk van hun proces.

Wat betekent dit alles voor Zuyd / Professional? Marcel van der Klink heeft al enkele globale ontwerpprincipes voor studeerbaarheid en doceerbaarheid op papier gezet, die ik heb aangevuld met de ervaringen van Saxion rondom hun onderzoek naar studiesucces. Tevens heb ik eens even gegrasduind in ‘Het gemeenschappelijk model voor flexibel en vraaggestuurd onderwijs’ (april 2016) waarin ontwerpprincipes voor het gemeenschappelijk onderwijsmodel van de deeltijdpilots zijn benoemd. Daaruit is duidelijk dat werkplek en communities een belangrijke plek krijgen in het onderwijs van Zuyd Professional. Ook is duidelijk dat nog geen handen en voeten gegeven is aan de ‘blend’ van Zuyd Professional. Aan een opzet hiervan ga ik morgen werken. Voor mij is het wel van belang dat zowel qua werkwijze als qua ontwerp de uitgangpunten: Samen Open Delen moeten zijn. Wordt vervolgd.

Groet,
Judith

Op zoek naar de zone van de collectieve naaste ontwikkeling. Oratie van Marjan Vermeulen.

LerenOrganiseren

Hallo Marcel,

Heb je ook meegekregen dat Marjan Vermeulen onlangs is benoemd als bijzonder hoogleraar Docentprofessionalisering aan het Welten-instituut van de Open Universiteit? De leerstoel is ingesteld door het onderwijsadviesbureau KPC Groep. Marjan Vermeulen onderzoekt via de leerstoel scholen als: ‘rijke en uitdagende leeromgevingen voor leraren, zodat er met plezier geleerd wordt.’ Met bijzondere belangstelling heb ik haar oratie Leren Organiseren gelezen. Als I-adviseur is één van mijn belangrijkste drijfveren het professionaliseren van docenten op het gebied van leren en lesgeven met ICT.

Prof. dr. Marjan Vermeulen stelt dat “professionaliseren docenten anders moet”. Docenten moeten niet van elkaar leren maar met elkaar. Het lezen van haar oratie was een feest der herkenning. Professionaliseren van docenten is een van de belangrijkste pijlers als het gaat om innoveren van ons onderwijs, schrijft zij (zoals ik dat ook schreef in mijn onderzoek 🙂 ). Innovatief gedrag kan het best gestimuleerd worden in een omgeving waar collectief geleerd wordt. Mijn masteronderzoek heet ook niet voor niets Leren professionaliseren: Leer-Ontwikkel-Werk-Samen-Onderzoek-Kennis-Deel.

Vermeulen begint haar oratie met een korte beschrijving van de karakteristieken van de belangrijkste leertheorieen: cognitivisme, behaviorisme, sociaal-constructivisme en connectivisme. Ze benadrukt dat het belangrijk is om te weten vanuit welke leertheoretisch perspectief onderzoek is uitgevoerd. Een behaviorist denkt anders over leren dan een cognitist. En vanuit het sociaal-constuctivisme zal het leren anders georganiseerd worden dat bij connectivisme. “Omdat er nogal verschillende processen en verschillende uitkomsten achter een leertheorie zitten is het jammer dat deze opvattingen zo zelden geëxpliciteerd worden in onderzoek en praktijk” zo schrijft Vermeulen (p. 13). Vervolgens beschrijft ze op basis van veel (bekende) wetenschappelijke onderzoeken uit de organisatiekunde (lerende organisaties), personeelswetenschappen en onderwijswetenschappen het professionaliseren van docenten.

Ontwikkeling in de onderwijspraktijk moet meer karakter van groei krijgen. Collectieve groei is complex, schrijft Vermeulen. Onderwijsonderzoek hebben neiging alles te secuur te onderzoeken en daardoor een te lange tijdsduur voor innovatie. Daarnaast vindt Marjan Vermeulen het van belang om docenten niet als uitvoerders van ideeën van anderen, maar als ontwikkelaars te benaderen. En vraagt zij zich af is de docent in controle (eigenaar van eigen professionalisering) of onder controle (is er sprake van verplicht professionaliseren?).

Uit paragraaf 6.3:
Er wordt wel over collectief leren gesproken maar dan veelal leren van elkaar ipv leren met elkaar gericht op gezamenlijke leeropbrengsten. We hebben het over professionele leergemeenschappen of learning communities, maar een leergemeenschap ontwikkelt zich niet vanzelf, ondersteuning is belangrijk in de vorm van een facilitator. Ook is de ontwikkeling tot een professionele leergemeenschap waar samengewerkt en geleerd wordt een langdurig proces. De sociaal kapitaal theorie verklaart dat langdurige en intensieve proces.
Ook is interactie in gelijkwaardigheid op basis van een professionele dialoog een belangrijk kenmerk om elkaars expertise te gebruiken en inbreng te waarderen.
Er is geen blauwdruk van wat een lerende organisatie is, de kennis daarover zal blijven toenemen en de toepassing daarvan is in iedere context anders. Wetenschap en onderwijspraktijk zullen in het onderzoek daarna gezamenlijk moeten optrekken. Omdat innovatiestrategieën met een open einde, blijvende input van nieuwe referentiekaders nodig hebben voor continue ontwikkeling.

Uit paragraaf 6.4:
Die nieuwe praktijken ontstaan niet door de kennisketen op te knippen zoals nu het geval is, maar door hecht samen te werken en daarmee de kennisketen tot een leercyclus om te vormen. Alle partners hebben een eigen expertise die samen innoveren mogelijk maakt. Samen in de zin van het nastreven van gemeenschappelijke opbrengsten waar in gezamenlijkheid met ieder vanuit zijn eigen expertise in gelijkwaardigheid aan gewerkt wordt.

Zie ook nieuwsberichten OU en KPC

Door het lezen van haar oratie kreeg ik meer zicht op de verschillende opvattingen over leren in wetenschappelijk onderzoek. Ik herken de dominante behavioristische en cognitieve opvattingen over leren en het professionaliseren van medewerkers. De klassieke (individuele) functionerings- en beoordelingsgesprekken stimuleren de (brood)nodige collectieve groei niet. Er wordt snel gezegd dat we moeten transformeren naar een lerende organisatie. Dat is net zo snel gezegd al: ‘we moeten meer samenwerken en kennis delen’. Makkelijk gezegd. Moeilijk gedaan. Laten we op zoek blijven naar de zone van collectieve naaste ontwikkeling. Docenten blijven begeleiden, activiteiten rondom onderwijs ontwerpen en leren en lesgeven met ict blijven bijsturen. De opgedane kennis delen. Zo ontstaat collectieve groei en ontwikkelt Zuyd zich als een lerende organisatie.

Ik hoop dat de verschillende initiatieven en plannen die er zijn op het gebied van (ict) docentprofessionalisering binnen Zuyd elkaar het komende jaar zullen vinden. Zou die droom van een ‘learning en teaching centre’ realiteit kunnen worden?

Judith

Mijn professionele ik. Onze professionele identiteit.

Hallo Marcel,

Tijdens de afgelopen zonnige dagen heb ik het boek Je binnenste buiten: over professionele identiteit in organisaties van Manon Ruijters en collega’s  gelezen. Nou ja, al doorbladerend stukken gelezen dan 😉 . Het boek telt bijna 500 bladzijde!

In onze veranderende samenleving waar in alles sneller, beter, scherper, anders moet en complexer is, is het belangrijk te weten wat je basis is, waar je van bent, waar je in gelooft, wat onvervreemdbaar van jou is en je kleur geeft, zo staat op de achterkant van het boek. De boeken van Manon Ruijters (Canon van het leren en Liefde voor leren) heb ik regelmatig geraadpleegd tijdens mijn masterstudie Leren en Innoveren. En dit is er ook weer zo eentje die volgens mij in de kast van elke MLI/MLE student in de kast moet staan.

Als lector is Manon Ruijters verbonden aan het lectoraat Professionele identiteit en organisatieontwikkeling bij Stoas Vilentum Hogeschool.

Als je in een onderwijssetting werkt waar de core business is professionals op te leiden dan is het ook belangrijk te werken aan je professionele identiteit, als onderwijsgevende, en ook als adviseur van onderwijsgevenden. Ten minste dat vind ik.

jebinnenstebuiten

Ik herken de zoektocht in het boek naar weten wat ik doe, waarom ik het doe en waarvoor ik het doe. Zeker nu de vraag naar ondersteuning en advisering op mijn aandachtsgebied van leren en lesgeven met ict alleen maar toeneemt. En het aantal professionals die bij deze vragen kunnen helpen en ondersteunen binnen onze organisatie alleen maar afneemt, stel ik me die vragen stellen. We willen meer in minder tijd met minder mensen (kostenreductie agv oop reductie). In mijn eentje kan ik die veelheid van vragen niet aan. Dus wat is mijn professionele identiteit?

Het boek is voor mij vanuit verschillende invalshoeken interessant. Om de vraag te beantwoorden wat mijn eigen professionele identiteit is. Maar ook uit mijn betrokkenheid met (ict) docentprofessionalisering binnen Zuyd. Welke investeringen in professionalisering levert ook professionaliteit op? Er wordt gesproken over professionele ruimte, maar door allerlei oorzaken (vermoeidheid, onduidelijkheid) wordt deze niet ervaren cq gepakt. We vragen meer zelfsturing in minder bewegingsruimte, want de druk bij docenten door allerlei ministeriële dictaten (masterverplichting, bko, bke/ske) loopt alleen maar op.

Geeft het boek oplossingen? Nee. Er zijn geen kant-en-klare oplossingen, dat kan ook niet, ieder mens is immers uniek. Het boek biedt wel handvatten  en richtlijnen (door vragen om over na te denken via de ontwikkelnotities) om met professionele identiteit aan de slag te gaan. Het lezen/doorbladeren van dit mooi vormgegeven boek was een aangename wandeling door filosofie, psychologie, sociologie, neurowetenschap. Met ook aandacht voor de invloed van technologische ontwikkelingen op de identiteit. Er waren vele herkenbare ontmoetingen zoals met Simon Sinek (the golden circle), Bakker & Akkerman (boundary crossing), Schön (kritische zelfreflectie), Argyris (double loop learning), Pedler (actieleren), Csikszentmihalyi (flow), Deci & Ryan (motivatie), Fuller, Hattie, Illeris, Weggeman. En ik heb kennisgemaakt met nieuwe denkers en wetenschappers over thema’s als bezieling, erkenning, wijsheid. Ik heb meer gelezen over de rol van autonomie en autoriteit, over hybrid professional (een professional op grens van 2 professies, zoals een teamleider), over frontlinieprofessionals (professionals die werken in direct contact met hun klanten, zoals de docent met studenten, en ruimte hebben om eigen gedragskeuzes te maken) , over kinderheldenmoed, de bezielde organisatie. Het boek wemelt van de mooie citaten zoals over het koesteren van de ziel van Alain de Botton: “in ons dragen we een kostbare, kinderlijke, kwetsbare kern, die we zouden moeten voeden en koesteren op zijn veelbewogen reis door het leven” (p. 359).

“De huidige professional is een lerende professional en het werken aan en met professionele identiteit verdient een eigen plek binnen de professionele ontwikkeling, zowel individueel als binnen organisaties” (p. 275).

“Professionele identiteit draagt bij aan zelfsturing, veerkracht, wijsheid en excellentie”(p. 55). Dat betekent, reflecteren op wat mij bijzonder maakt, wat jou bijzonder maakt. Tijdens en na de master ben ik op zoek gegaan naar mijn drijfveren, die heb ik gevisualiseerd in deze mindmap. In het boek is te lezen dat vanuit individueel standpunt het wenselijk is om dit te

* verkennen en expliciteren;
* onderhouden; en
* in te zetten bij belangrijke keuzemomenten.

Vanuit organisatie standpunt is aandacht voor professionele identiteit van belang, zoals:

* De professionele leergemeenschap die beter wil weten waarvoor men staat.
* Het team van professionals dat een transformatie doormaakt.
* Het team van professionals dat samenwerkt aan een innovatie.

Professional/professioneel komt van het Latijnse ‘profiteri’ dat betekent ‘openlijk verklaren’. Een professional wil openlijk zichtbaar kwaliteit leveren. “Een professional is iemand die ervoor kiest en zich erop toelegt om, met behulp van specialistische kennis en ervaring, klanten op een competente en integere manier steeds beter van dienst te zijn. Daarbij maakt hij gebruik van en draagt actief bij aan een community van medeprofessionals die het vak bij voortduring ontwikkelen” (Ruijters & Simons, 2014) (p.317).

Professional ben je niet alleen, zo veel is zeker. En leren blijf je. Dat laat onderstaand figuur mooi zien.

lerendeprofessional

De lerende professional (figuur p.94)

“Professionele identiteit vormt een ankerpunt in verandering, zorgt dat je weet van waaruit je afwegingen maakt en tot beslissingen komt, dat je stevig staat bij tegenwind, dat samenwerking soepel verloopt en keuzes in je loopbaan of dilemma’s in je professionele bestaan een basis hebben van waaruit ze verkend kunnen worden.” (p. 150)

Ruimte voor ont-moeten
Wil je duurzaam ontwikkelen dan is het van belang om vaker je hoofd op te ruimen in plaats van het vol te stoppen (p. 154). We moeten zoveel: vanuit organisatiebelang met kwaliteitseisen en veranderingen. We zijn uit balans. Er is ook aandacht nodig voor werken vanuit je eigen opvattingen en kwaliteiten, voor het spiegelen van je opvattingen met vakgenoten, om je te laten inspireren. Voor ontmoetingen.

Op basis van literatuur en onderzoek is het PI-model ontwikkeld. Het gedachtegoed van het PI-model is ook te lezen op de website bij dit boek www.professioneleidentiteit.nl. In onderstaande afbeelding wordt het model verbonden met organisatieontwikkeling en persoonlijke ontwikkeling.

PI-model

PI-model gekoppeld met vormen van leren en professionaliseren (figuur p. 239)

Je hoeft niet ziek te zijn om beter te worden
We vragen een andere manier van werken (zie HILL-model van Filip Dochy) van docenten (verandering van kennisbrenger naar coach van leerprocessen, reflecteren, ict-docentprofessionalisering, online samenwerken en kennisdelen). Dat betekent een fundamentele verandering in hun professie en een zoeken naar hun professionele identiteit. Dit kan je niet met een vaardigheidstraining je eigen maken. En verplichten helpt sowieso niet in een leerproces. Dit betekent dat wij als professionele leergemeenschap ons moet afvragen wat een goede docent is binnen het onderwijs dat wij als Zuyd willen aanbieden. Net zoals opleidingen met de beroepspraktijk bespreken welke competenties de toekomstige professional moet hebben, zullen wij als Zuyd docenten, als professionele leergemeenschap de vraag moeten stellen welke competenties hebben wij als docenten nodig om onze (jong) professionals hierin te begeleiden? We hebben het wel over professionele identiteit van onze studenten, over waarde en normen, over beroepsidentiteit, dan hebben we het ook over Bildung. En over onze eigen Bildung.

Zonder crisis geen groei
“Als het ons niet lukt een ervaring te begrijpen als we het niet kunnen plaatsen, dan hebben we de neiging terug te vallen op ‘tradities’, op verklaringen van autoriteiten of op psychologische mechanismen, zoals projecteren en rationaliseren” (Mezirow) (p. 302)

Het gaat bij (leven lang) leren niet alleen om hoe de transfer plaatsvindt maar ook om als professional te leren welke keuzes je maakt in de toenemende veranderingen, ontwikkelingen en samenwerkingsrelaties. Professional zijn, is een keuze. De organisatie kan hierbij ondersteunen door te werken aan de collectieve identiteit.

Het boek heeft me al lezend en bloggend nieuwe inzichten geboden, en bestaande bevestigd. Herkenbaar ook, omdat vele praktijkvoorbeelden in het boek uit de onderwijswereld komen. Een boek om nog eens naar terug te pakken en stukken te herlezen. Lees hier de blogpost van collega Ilse Meelberghs over dit boek.

Groet,
Judith

#notetoself (uitstapjes via de lezersnotities)

lifedancing

Communities: Leer-Ontwikkel-Werk-Samen-Onderzoek-Kennis-Deel

Hey Marcel,

Sinds kort ben ik ook betrokken bij Community van Communities van Zuyd, een initiatief van de lectoren Marcel van der Klink en Paul Henissen. Mijn rol is als moderator zorgdragen voor technische en inhoudelijke facilitering. Mijn taak is het activeren en stimuleren van kennisdeling op het online platform.

Zuyd hecht grote waarde aan communities, het is immers één van de drie pijlers van onze onderwijsvisie. Hoe geven wij met z’n allen hier invulling aan? De lectoren willen met dit initiatief  gezamenlijk met communityleden expertise ontwikkelen. Binnen Zuyd zijn al veel CoP (Community of Practice) actief. Soms worden ze anders benoemd. CHILL spreekt over Communities of Development en de Nieuwste Pabo werkt in Communities of Learning. De ene keer bestaat een community alleen uit docenten, bijvoorbeeld tbv coördinatie en afstemming onderwijs, de ander keer aangevuld met studenten en werkveld om bij te blijven met de meest actuele ontwikkelingen in het eigen domein. Communities bestaan ook als onderwijsvorm waarin zowel studenten als docenten participeren.

De reeds actieve communities bestaan voornamelijk uit face-to-face bijeenkomsten. Dit constateerde ik al in mijn masteronderzoek, maar dat zie ik ook in de praktijk van alledag. De initiatiefgroep wilde een digitaal platform om het leren van en met elkaar buiten de bijeenkomsten te faciliteren. Maar ook om inzichten te bundelen en opgedane community-ervaringen binnen Zuyd te verspreiden. Dat gebeurt nu via de wordpressomgeving Community van Communities. Dit platform is naast kennisdeling ook bedoeld voor kennisontwikkeling. Momenteel is het er nog stilletjes. Als moderator moet ik eens wat actie ondernemen 🙂 En misschien kan jij me nog wat tips geven? Immers met het project Schouders/Voor Elkaar willen jullie ook offline en online communities verbinden, en mensen activeren om kennis en informatie te delen met gametechnieken.

The-Social-Media-Guide-to-Growing-Your-Personal-Learning-Network-550x413

via OnlineCollege.org

In mijn masteronderzoek heb ik een koppeling gelegd tussen digitale competenties van docenten en hun percepties ten aanzien van het inzetten van sociale media in netwerken om online kennis delen en online samenwerken te ondersteunen. In mijn masteronderzoek heb ik me ook verdiept heb in netwerktheorieën. Hieronder een stukje uit mijn theoretisch kader.

Netwerken en sociale media

Leernetwerken, community of practice, learning communities, professionele leergemeenschapen zijn allemaal vormen van sociale structuren waarbinnen de nadrukt ligt op de relaties en interacties, het kennis delen en het gezamenlijk oplossen van problemen (Sloep et al., 2011; Wenger, Trayner, & de Laat, 2011). Afhankelijk van de grootte, de gedeelde drijfveren, de persoonlijke relaties, de samenstelling of de te bereiken doelen wordt het een community dan wel netwerk genoemd (Wenger et al., 2011). Volgens Wenger et al. (2011) benadrukt het concept community het samenwerken aan een gedeeld kennisdomein of probleem, terwijl bij het concept (leer)netwerken de nadruk ligt op relaties en interacties. Communities en netwerken zijn niet elkaars tegengestelden, zij zijn complementair, wanneer zij samen vallen kan social learning optimaal plaatsvinden (Wenger et al., 2011). In dit onderzoek wordt de term ‘netwerk’ gehanteerd waarbij het uitgangspunt is dat iedereen in het netwerk een gelijkwaardige bijdrage levert, er geen rangorde is en dat competentieontwikkeling van de deelnemers expliciet aandacht heeft.

Het leren door samen te werken en kennis te delen in netwerken is niet iets nieuws maar door de opkomst van sociale media wel sterk onder de aandacht gekomen. De kenmerken van sociale media zoals benoemd in §2.3: interactie, participatie en eigenaarschap, sluiten aan bij de sociale structuur van netwerken. Siemens (2005) introduceerde het connectivisme als nieuw concept van kennisontwikkeling en leren en gaat er van uit dat leren voornamelijk plaatsvindt in een netwerk. Het connectivisme stelt dat de competentie om mensen en inhoud te kunnen verbinden belangrijker is dan het verwerven van de kennis zelf (Downes, 2012; Rubens, 2013; Siemens, 2005). Het leren in netwerken is een vorm van social learning waarbij de relaties en interacties centraal staan (Sloep et al., 2011; Wenger et al., 2011), zoals dat ook voor sociale media geldt (zie §2.3). Het (kunnen) participeren in netwerken is in de huidige kennissamenleving noodzakelijk voor (toekomstige) inzetbaarheid en aantrekkelijkheid in de beroepspraktijk (Oomes et al., 2014; van der Klink, Janssen, Boon, & Rutjens, 2011; Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2013).

Van der Klink, Janssen, Boon & Rutjens (2011) benoemen een aantal voorwaarden die essentieel zijn voor een krachtig online netwerk. Als eerste benoemen zij het investeren in kennismaking onder ander door zichzelf te presenteren via een profiel bij de toepassingen en/of platformen waarmee gewerkt wordt, dit bevordert binding en vertrouwen tussen personen. Door binding en vertrouwen wordt intrinsieke motivatie bevorderd waardoor samenwerken en kennis delen gestimuleerd wordt (Deci et al., 1991; Jacobs, 2013; Brabander & Martens, 2010; Ros et al., 2014; Runhaar et al., 2011; Ryan & Deci, 2000). Het maken van onderlinge afspraken en deze transparant communiceren is daarnaast ook van belang, net zoals tijd vrijmaken voor een actieve inbreng (Van der Klink et al., 2011).

En bijbehorende literatuurlijst

Groeten,
Judith

 

%d bloggers liken dit: