Auteursarchief: Judith van Hooijdonk

To scrum or not to scrum #onderwijsontwerpen

Hi Marcel,

Door toeval kwam ik weer eens op het blog van Petra Peeters. Petra ‘ken’ ik van de MOOC Exploring Social Learning. Zij was moderator van deze MOOC en heeft ontwerpprincipes in een artikel met ons gedeeld, hierover heb ik destijds geblogd. Vorig jaar heeft zij in 11 blogpost het proces van 5 maanden (februari-juni 2016) scrummend een deeltijdcurriculum ontwerpen, gedeeld. In de 12e bijdrage geeft zij terugblik. Deze leermomenten wil ik in onze rubriek #onderwijsontwerpen ook hier even vastleggen. Vooral ook omdat ik dit in het kader van onderwijs ontwikkelen voor Zuyd Profesional interessant vind.

De opleiding Opleidingskunde van de HAN had 6 maanden de tijd om een nieuw blended deeltijdcurriculum te ontwikkelen. Ze kozen SCRUM als ontwikkelmethodiek. Zij werden hierbij begeleid door scrum@school. Het was een avontuur zo blijkt uit de blogberichten.

Uitgangspunten

In dit half jaar hebben ze uitgangspunten die voor het curriculum gelden geformuleerd en uitgewerkt. Ook zij werken met leercoaches en leeruitkomsten. Leerarrangementen is een term die ik uit mijn MLI-tijd ken, binnen Zuyd Professional wordt nog ‘gewoon’ over modules gesproken. Wezenlijk in de uitgangspuntpunten is de integrale aanpak en de integratie van de praktijk in de modules.

Ontwikkelteam

Zij hadden een team van 12 mensen waarvan 4 werkstudenten (mooi!). Samen hadden ze 0,9 fte per week om te ontwikkelen. Zij adviseren een kleiner kernteam die sneller stappen kan maken omdat nu veel tijd kwijt ging aan afstemming en overleg, ondanks dat dit ten koste gaat aan de diversiteit van invalshoeken. Dus een klein kernteam met meer tijd en die wel mensen ‘van buiten’ betrekt voor input. De student als partner werd vanwege frisse en deskundige blik enorm gewaardeerd. Tip dus! Het werkveld werd pas op het laatste moment betrokken. Hun advies is hen eerder te betrekken. Ik weet uit mijn ervaring bij de curriculumontwikkeling van bacheloropleiding HBO-V dat zij dat al heel goed doen. Dit wordt van beide kanten enorm gewaardeerd.

Een andere tip is teksten visualiseren in tekeningen, schema’s en tabellen. Dit werkt ook beter in communicatie naar andere toe.

To scrum or not to scrum

De ontwikkelmethodiek scrummen bracht hen overzicht. Het werken met scrumboard gaf duidelijkheid, waardoor prioritering in taken kon worden aangebracht. Scrummen zette hen ook actief in beweging, geen eindeloos overleg over visie. Door visie te schetsen, ging ontwikkelen en visievorming gelijktijdig en versterkten elkaar.
Door met overzichtelijke deadlines te werken (periodes van 4 weken) waarin tussenproducten opgeleverd moesten worden, werd de alles-of-niets deadlines vermeden. Ook in bijeenkomsten werd met ‘timeboxen’ gewerkt waardoor in weinig tijd veel gedaan. Taakverdeling werd duidelijk en teamleden werden ingezet op hun kwaliteiten. Vertrouwen dat zij goede dingen opleveren, werd tijdens het proces geleerd. Iedereen heeft een andere werkaanpak.

Ze zijn (terecht!) trots op het resultaat. Ze hebben duidelijk wat nog op de planning staat. Scrumdiscipline is nog wel een ‘dingetje’. Maar elke keer als ze daarvan afweken, ontbrak overzicht. Het was hard werken (buffelen). Maar aan het eind van elke scrumsprint was er moment van trots en nieuwe inzichten. Het scrummen was voor hen een nieuwe ontwikkelmethodiek waardoor zij allemaal beginnende scrummasters waren. Met meer begeleiding was dit proces gemakkelijker geweest.

Eindconclusie van Petra:

To Scrum or not to scrum is voor mij geen vraag meer. Bij vergelijkbare projecten zou ik Scrum graag weer inzetten. Het (leren) Scrummen is een pittige klus, zeker als je dat doet terwijl je aan een even pittig project werkt. Scrummen heeft ons echter zó geholpen uit onze vaste patronen te stappen en tot resultaat te komen dat ik de worsteling er graag voor over had.

Wat is er van opgepikt heb, is dat een klein ontwikkelteam met genoeg samenwerktijd het beste werkt. Dat je studenten en werkveld op geregelde momenten moet bevragen/betrekken. Dat visueel overzicht en werken met tussentijdse deadlines belangrijk is om de vaart er in te houden. Onderlinge en ‘naar buiten’ communicatie en vertrouwen cruciaal zijn.

Mooi en bedankt dat je dit gedeeld hebt, Petra!
Groet,
Judith

De waarde van open en open als waarde

Ha Marcel,dewaardevanopen

Gisteren ontving ik van Robert Schuwer het onderzoeksrapport van hem en Ben Janssen met de mooie titel:

De waarde van open en open als waarde

Enige tijd geleden ben ik door Robert geïnterviewd (je kunt in bijlage 4 de vragen lezen die mij gesteld zijn) over hoe binnen Zuyd aangekeken wordt tegen het delen van open leermaterialen en online cursussen en hergebruiken van open leermaterialen en cursussen. Hoe Zuyd er tegen aan kijkt weet ik niet, ik heb mijn inzichten en ervaringen binnen Zuyd gedeeld, zie ook ons MOOCZI-blog warop ik de managementsamenvatting heb gedeeld. Alles is uiteraard gepubliceerd onder CC-BY 🙂

De onderzoeksvraag was:
Wat leidt tot c.q. is nodig voor een brede adoptie van delen van open leermaterialen en online cursussen en hergebruiken van open leermaterialen en cursussen door docenten in het bekostigde hoger onderwijs in Nederland?

Ze hebben 55 interviews (bestuurders, docenten, ondersteuners) afgenomen op 4 universiteiten en 6 hogescholen. Uitgebreid (gebruikmakend van een codeboom) zijn de interviews beschreven en geanalyseerd. Mijn korte samenvatting van de resultaten:

Er wordt veel leermateriaal gedeeld, vooral om de kwaliteit van het campusonderwijs te verbeteren. Docenten bepalen hoe ze willen delen (autonomie wordt zowel door docent als bestuurder cruciaal gevonden), het delen en hergebruiken is daarom erg divers qua openheid. Om structureel te delen en hergebruiken is ondersteuning in tijd, geld en ondersteuning essentieel. Als er al sprake is van ‘open’ beleid dan zijn docenten hiervan onvoldoende van op de hoogte. MOOC’s worden gezien als een versneller voor de adoptie van open delen van materialen en cursussen binnen een instelling.

Uiteraard zijn er mooie zinvolle aanbevelingen geformuleerd:

  • Maak de meerwaarde van open delen en hergebruiken duidelijk aan docenten;
  • Zorg bij deze verandering van de beeldvorming rondom open delen en hergebruiken bij docenten voor ondersteuning vanuit de instelling: op ICT-gebied, juridische en onderwijskundige aspecten, facilitering in tijd, aanwezigheid van een veilige experimenteerruimte en een ondersteunende infrastructuur;
  • Formuleer op faculteits-, instituuts- en instellingsniveau beleid op het gebied van open delen en hergebruiken dat de activiteiten die onder aanbeveling 1 en 2 genoemd worden mogelijk maakt;
  • Koppel beleid inzake open delen en hergebruiken aan andere thema’s van onderwijsvernieuwing of aan thema’s als internationalisering.

Zal ik nog eens een poging wagen om deze adviezen binnen Zuyd te delen? Er ligt immers een ‘opdracht‘ van de minister dat in 2025 alle HO-docenten hun onderwijsmateriaal, Open Educational Resources (OER), vrij beschikbaar dienen te stellen. De doelstellingen zijn door een taskforce bij OCW omschreven in het programmaplan ‘Open & Verbonden Hoger onderwijs, uitwisseling van digitaal leermateriaal’. Hierin staat dat na afloop van het programma in 2020

  1. Docenten het normaal vinden om:
    • digitaal leermateriaal te delen met collega’s,
    • te reflecteren met collega’s op digitaal leermateriaal, en
    • digitaal leermateriaal van collega’s te hergebruiken in het eigen onderwijs.
  2. Docenten over de juiste faciliteiten beschikken en worden zij door de instelling op maat ondersteund in tijd, ruimte en middelen om te kunnen delen, reflecteren en hergebruiken.
  3. De beschikbare ict-voorzieningen zorgen dat delen, reflecteren en hergebruiken snel, eenvoudig en gebruikersvriendelijk mogelijk is.

Duzzz … 🙂

Judith

17 Principles of effective instructions

Hi Marcel,

Ook jij ontving als kenniskringlid Technoogie-Ondersteund Leren een leestip van de lector Professioneel Beoordelen, Dominique Sluijsman. Heb je het toegestuurde artikel Principles of Instruction: Research-based strategies that all teachers should know / by Barak Rosenshine al gelezen?

Het artikel beschrijft een aantal instructieprincipes. De uitgangspunten zijn gebaseerd op resultaten van verschillende type wetenschappelijk onderzoek (breinonderzoek, toegepast onderwijsonderzoek) die elkaar aanvulden (en dus niet tegenspreken).

De kracht van de herhaling, in kleine stapjes (mastery learning), laten zien/geef voorbeelden (modeling), het stellen van goede vragen en hardop in eigen woorden laten vertellen, zijn principes die in het artikel beschreven worden. Geadviseerd wordt om misconcepties tegen te gaan door te controleren of alles goed is geleerd, misvattingen zijn moeilijk om weer af te leren. Studenten dienen herformuleren, samenvatten en uitwerken om het geleerde in lange termijn geheugen op te slaan. Ook scaffolding is belangrijk [Scaffolding betekent letterlijk steiger of ondersteuning en staat voor hulp die aangepast wordt aan het begrip en de voorkennis van een student. Net als een steiger, wordt deze hulp weer weggenomen als de hulp niet meer nodig is. Lees hier meer].

Het zijn instructieprincipes die elke docent zouden moeten kennen, zegt Paul Kirschner. Hij heeft waarschijnlijk gelijk (wie ben ik om dat in twijfel te trekken? 😉 ). Ik vraag me alleen af of er nog zoveel instructies worden gegeven in het hbo? Of misschien moeten we dat meer doen, want het blijkt effectiever te zijn dan ‘zelfstandig werken’. Het voordoen, het samen doen, het en nu doe jullie/je het alleen schijnt heel leerzaam te zijn. Zo zegt dit onderzoek.

De 17 Principles of effective instructions op een rijtje:

  1. Begin a lesson with a short review of previous learning.
  2. Present new material in small steps with student pratice after each step.
  3. Limit the amount of material students revieve at one time.
  4. Give clear and detailed instructions and explanations.
  5. Ask a large number of questions and check for understanding.
  6. Provide a high level of active practice for all students.
  7. Guide student as they begin to practice.
  8. Think aloud and model steps.
  9. Provide models of worked-out problems.
  10. Ask students to explain what they have learned.
  11. Check the responses of all students.
  12. Provide systematic feedback and corrections.
  13. Use more time to provide explanations.
  14. Provide many examples.
  15. Reteach material when necessary.
  16. Prepare students for independent practice.
  17. Monitor students when they begin independent practice.

Rosenshine, B. (2012). Principles of instruction. Research-based strategies that all teachers should know. American Educator, 39, 12-19. Retrieved from  https://www.aft.org/sites/default/files/periodicals/Rosenshine.pdf

Groet,
Judith

Ontwikkeltijd #onderwijsontwerpen

Je herkent het wel Marcel, denk ik. De hectiek. Het vliegen en rennen. Niemand lijkt tijd te hebben. En we willen zoveel: nieuwe curricula ontwerpen, blended leren, leren en werken met ict-tools, etc etc. Het (her)ontwerpen van curricula vergt een zekere bekwaamheid. Dat betekent ook dat we zelf moeten leren en ontwikkelen. Maar waar creëren we de ruimte in onze volgeplande agenda’s?

Tijd, inspanning, aanmoediging, rust is nodig. Hoe geef je als onderwijsinstelling, als Zuyd invulling aan ontwikkeltijd? Waar moet je aan denken als je een lerende organisatie wilt zijn? In een artikel Ontwikkeltijd. Hoe richt je dit in? op de website Leerling 2020 geven drie ervaringsdeskundigen adviezen.

  • Rooster bijeenkomsten in
    “Heel belangrijk, in het onderwijs is je tijd versnipperd, het vervliegt. Zeker als het gaat om ontwikkelen. Daar heb je duidelijk vastgestelde momenten voor nodig.”
  • Geef tijd om te oriënteren
    “Het kost tijd om je in het begin te oriënteren, scholen te bezoeken en met elkaar te discussiëren en een mening te vormen. De projectgroep heeft een jaar lang, een dagdeel per week nodig gehad om uitgangspunten te formuleren, uit te werken wat hiervoor nodig is en om een leerjaar van het nieuwe vwo uit te werken.”
  • Structuur gedachten
    “Ik denk dat het schrijven van zo’n plan wel mensen afschrikt, maar waarschijnlijk voornamelijk de mensen die wel graag ontwikkeltijd willen maar niet goed weten waarvoor ze het nodig hebben. De docenten die wel een idee hadden over waar ze mee aan de slag wilden, werden door het schrijven van dit plan gedwongen om hun gedachten te structureren en na te gaan wat ze wilden gaan doen en vooral wat ze daarvoor nodig hadden.”

De VO-raad heeft in 2016 geadviseerd fulltime docenten 100 uur extra ontwikkeltijd te geven.

Herkenbare adviezen. Alhoewel plannen schrijven voor mij ook een blog schrijven mag zijn 😉 Het gaat er om dat je nadenkt over wat onderwijs ontwerpen vraagt en met zich meebrengt. Door dat op te schrijven structuur en openbaar je je gedachten.

Het onderzoeken, oriënteren op onderwijskundig ontwerpen heeft inderdaad tijd nodig. Bedenktijd. Praattijd. Bezinktijd. Vaak nemen we deze tijd niet. En dan krijgen we de gevolgen als een boemerang terug. Het pleit voor tijd en rust, iets dat we binnen ZOEC willen creëren. Geclusterde, geoormerkte tijd voor het ontwerpen van (blended) onderwijs en niet ontwerpen in een hier en daar gesprokkeld uurtje. Dat werkt niet. Ik heb het vaak genoeg ervaren.

De opleiding Financieel Management biedt haar docenten ontwikkeltijd voor het herontwerpen van hun curriculum. Op het blog van Ilse Meelberghs kan je hun expeditie Binnenste Buiten volgen. Een mooi voorbeeld, zeker ook omdat zij ook een vast moment in de week hebben om gezamenlijk aan dit proces te werken.

Op de Bildungskalender 31 januari 2017 las ik onderstaande tekst van een Belgische onderwijsdirecteur Ronny Vanderspikken. Toepasselijk. Dit gun ik ons.

Judith

stocksnap_ll817bl9cs

CC0 Stephen Ellis

Een rivier legt zeker drie keer de afstand af tussen bron en zee.
De rivier gaat niet rechtdoor, maar meandert, neemt bochten,
gaat af en toe langs een hindernis … Geruststellend!

Boeiende kronkels, moeilijke kronkels, soms te veel kronkels<
soms heel mooie kronkels, …
maar altijd met de geruststelling dat we samen wel een weg
zullen vinden.

Gun jezelf veel ruimte en vertrouwen
om zelf te ‘meanderen’ en
om anderen te laten ‘meanderen’.

Zet ik iets in beweging? #knowmadMOOC

Hallo Marcel,

Dit blog geldt als afronding van de Knowmad MOOC. Gisteren heb ik gewerkt aan de 2e en tevens laatste week van de MOOC. Zie hier mijn blog over week 1. Wederom herkenbare issues. Het centrale thema ging over mensen in beweging brengen. Ik geloof in de mogelijkheden van sociale technologie voor teamcommunicatie, daarover heb ik gisteren ook geblogd. De eerste vraag van week 2 ging hoe je mensen in je organisatie in beweging brengt. Ik ben me steeds vaker aan het afvragen of ik dat wel wil, of ik daarvoor de aangewezen persoon ben. Daarover later meer.

In de MOOC werden verschillende typen professionals benoemd, zoals die ook in het boek Leren in tijden van tweets, apps en likes staan (de MOOC is door de auteurs van dit boek samengesteld en wordt ook door hen geweldig goed gemodereerd!).
Je hebt de knowmad, een professional die slim gebruik maakt van sociale technologie om op zijn vakgebied bij te blijven. De googler  die niet zo handig is met sociale media, maar wel een gedreven professional is. De hobbyist is iemand met een hoge affiniteit voor technologie maar niet zo gepassioneerd in zijn vakgebied. En de follower is iemand die niet online-vaardig is en niet intrinsiek gemotiveerd. De typering lijkt me gebaseerd op de innovatietheorie van Rogers.
Willen we wel van iedereen ‘knowmads’ maken? Kunnen we wel van collega’s ‘knowmads’ maken? Ik betwijfel het. Pas als mensen gemotiveerd zijn om iets met sociale technologie te doen omdat ze ervaren wat het hen oplevert, gaan ze aan de slag. De googlers en hobbyisten zullen de meeste interesse tonen. De followers, dat zegt het al die volgen misschien later.
In de bijdragen lees ik opmerkingen als: inspireren, aanmoedigen, gewoon doen. Reacties die van mij zouden kunnen zijn geweest, maar waarvan ik steeds meer afvraag welk effect dat heeft.

Moeten managers zelf knowmad zijn voordat ze anderen daarin kunnen ondersteunen?, was ook een vraag. In mijn leerinterventie heb ik betoogd dat managers een cruciale spelen bij de inzet van sociale technologie om online samenwerken en online kennisdelen te stimuleren. In het rapport Google it: the secret online lives of UK managers (2016) blijkt dat managers vooral collega’s en Google gebruiken om uitdagingen aan te pakken. Ze maken maar mondjesmaat gebruik van sociaal online leren. Ook dat is herkenbaar, maar niet alleen managers werken op deze manier. Ik merk dat ik steeds vaker een vraagje krijg van ‘hoe zit dit’, zonder dat mensen zelf eerst online op zoek gaan. Veel antwoorden zijn online te vinden, maar dat betekent wel dat je over goede zoek- en informatievaardigheden moet beschikken. En de juiste vragen kunt stellen. Het knowmadisch werken vergt vaardigheden, daarin moet je investeren.
Volgens mij is het wel bevorderend als managers ruimte bieden om sociaal te leren, dit stimuleren en waarderen. Aandacht hebben voor de manier waarop jij je ontwikkelt. Een voorbeeldgedrag is wenselijk, maar niet noodzakelijk. Openheid en transparantie is meer nodig, dan komt gebruik van sociale technologie vanzelf, denk ik zo 🙂

Een andere discussie ging over het verplicht stellen of er vanuit gaan dan iedereen sociale technologie gebruikt. Volgens kan dat voor privé netwerken als Facebook, LinkedIn, Twitter, maar ook voor Whatsapp niet. Heb je teamcommunicatietools beschikbaar binnen je organisatie zoals Yammer, Slack, Basecamp en je spreekt af deze hiervoor te gebruiken, dan vind ik dat je deze (net zoals we dat van mail verwachten) moet gebruiken. Ik ben een groot voorstander van Modern Workplace Learning net zoals Jeff Kortenbosch in het artikel Verandering vereist doorzettingsvermogen. Uiteraard komt daar het 70:20:10 model weer ter sprake (voor wat het waard is). Ik ben het wel eens dat leren voor professionals bestaat uit een combinatie van samen leren op de werkplek in een betekenisvolle context, al dan niet met support, social learning en formele trainingen. Een afdeling die dan medewerkers helpt, vraagt, coacht, meedenkt en ondersteunt bij dit leerproces is dan wel echt nodig.

Mijn laatste opdracht was via een meme (?? had ik nog nooit van gehoord ) een idee te delen over knowmads waarmee je iets in beweging zet. Ik moest denken aan de TEDtalk van Derek Sivers.

Ik voel me binnen Zuyd regelmatig die gek die in haar eentje aan het dansen is 😉
Dat gevoel ligt bij mij. Ik kom tot de conclusie dat dit te maken heeft met mijn nog al stellig beeld van een (gewilde!) professional. Veel van mijn beelden heb ik overigens gehaald uit het boek van Manon Ruijters over professionele identiteit.

Volgens mij dient de huidige professional een lerende professional te zijn die eigen verantwoordelijkheid draagt en actief bijdraagt aan een community van aankomende – en medeprofessionals. Die daarbij slim gebruik maakt van sociale technologie om te leren, te reflecteren en bij te blijven op het vakgebied. Die open kennis deelt en die deelt waar hij/zij aan werkt.
[Professional/professioneel komt immers van het Latijnse ‘profiteri’ dat betekent ‘openlijk verklaren’.]

Ja, ik leg de lat hoog 😉 Ik word regelmatig gevraagd bij diverse initiatieven vanwege mijn kennis en ervaring met online kennis delen en samenwerken. Als we dan aan de slag gaan, blijken de beelden heel divers. En ik merk dat ik gefrustreerd raak als het open online samenwerken en kennis delen niet van de grond komt. Te vaak zijn er te veel belemmerende factoren. Ik ken ze allemaal. En heb er begrip voor.

Maar dit soort karren wil ik niet meer trekken, dit soort verantwoordelijkheden niet meer voelen. Ik dans niet graag alleen. Ik heb anderen nodig om mijn werk te kunnen doen. Ik heb verbondenheid nodig, en wil zinvolle bijdrage leveren zodat mijn werk leidt tot betere resultaten.

Dus ja, ik heb voor mezelf wel wat besluiten genomen. Tuurlijk blijf ik open en online mijn kennis delen. Ik ben toch een gulle gever 😉 Zet ik iets in beweging? Misschien wel. Maar niet meer bewust en actief. En mijn oproep voor alle gewilde professionals:

Laat zien wat je beweegt!

Judith