Categorie archief: MLI
Judith’s blogs over haar studie Master Leren en Innoveren bij Fontys Eindhoven. Zie ook JOULE4JOU
Wat vind jij goed onderwijs?
Allô Marcel,
Je eindigt je blog ‘Je suis Marcel’ met de vraag hoe ik het statement van jouw DoIT@Zuyd student had aangepakt. Mag ik dat met een tegenvraag beantwoorden? Wat als die student (zonder overleg, want daar gaat het om, denk ik) een afbeelding van Serious Request had geüpload? Inderdaad een minder politiek statement maar toch …. Ik had ‘je suis Charlie’ van DoIT@Zuyd voorbij zien komen op Facebook, en ik vond het mooi dat zij dat gedaan hadden. Ook op de AVdienst in Heerlen stond de afbeelding op de monitor, ze waren niet de enige bij Zuyd. Je hebt ook gelijk dat je de dialoog bent aangegaan omdat jouw studenten namens een community communiceren. Dus ieder individu van die groep moet wel nadenken vanuit welke waarden en normen zij communiceren. Ik denk dat zij weer een een belangrijke levensles van jou hebben mee gekregen.
Dit voorbeeld sluit goed aan bij het manifest dat ik gisteren las: ‘Leraren en het goede leren’ van het lectoraat Normatieve Professionalisering van de Hogeschool Utrecht. Hier in staat waar het bij leraarschap/docentschap ook om draait: namelijk om zijn/haar persoonlijkheid. Tijdens een lunchafspraak met een collega deze week, bespraken wij het ook dat wij als Zuyd te weinig nadenken over waar we samen naar toe willen. Ja, Zuyd heeft sinds een jaar een mooie missie, visie, strategie geformuleerd, maar hoe expliciteren we deze? Het gesprek hierover ontbreekt, tenminste ik zie/hoor hem niet. Wil je iets veranderen dan kom je uiteindelijk uit bij de kernwaarden van ieder mens persoonlijk, dat heb ik geleerd tijdens mijn laatste leerarrangement van mijn studie (o.a. theorie U). We moeten de dialoog zoeken, daarover gaat het manifest.
Normatieve professionalisering is de dialogische ontwikkeling van de beroepsdimensie, waarin de docent zich bewust is van de existentiële aspecten van het werk. Dat wil zeggen dat hij de uniciteit herkent van het appel dat op hem gedaan wordt door de ander (de student). Hij probeert, met erkenning van de eigenheid van zichzelf en van de ander voor wie hij verantwoordelijk is tot goed handelen te komen.
Voor docenten betekent dit, volgens de schrijvers, dat zij naast instrumentele professionalisering (vakkennis, pedagogische-didactische vaardigheden, ict-competenties) ook zijn/haar persoonlijkheid moet blijven ontwikkelen. Daarvoor is het zo belangrijk te reflecteren op je eigen levensloop, je normen, waarden en overtuigingen. Hoe beter je je jezelf kent als docent, hoe beter je kunt omgaan dilemma’s en veranderingen. Van onze studenten verwachten we dat ze kunnen reflecteren, dan mogen we dat zelf toch wel ook doen? We praten vaak over de 21st century skills, één daarvan is burgerschapsvorming (sociale en culturele vaardigheden). Hebben wij als onderwijs niet een taak om studenten naast kritische nadenken, argumenteren, probleemoplossend vermogen, etc. ook niet verwondering, empathie, verbeeldingskracht en inlevingsvermogen bij te brengen? Vroeger werden de traditionele kaders, onze waarden en normen, bepaalt door de kerk, maar door de ontkerkelijking is ook in het diepe Zuyden niets meer vanzelfsprekend. Het lijkt dat met het verdwijnen van de religie ook levensbeschouwing uit het onderwijsproces verdwenen is.
We zijn in onze hogeschool, in ons onderwijs zo bezig met de harde resultaten en gaan gebukt onder de druk die ons opgelegd wordt door het ministerie: alles moet meetbaar (waardoor onderwijs vooral in termen van kennis en vaardigheden wordt beschreven, al het andere lijkt te fraudegevoelig), efficiënt, effectief. Komen we hiermee tot kwalitatief ‘goed’ onderwijs?
En wie bepaalt nu wat ‘goed’ onderwijs is? Is/zijn dat toch de accreditatiepolitie, cijfersfetisjisten, lijstjeskickers? Of gaan de friskijkers en dwarsdenkers van Zuyd (zie ook mijn blog hierover) de dialoog hierover opstarten? De leus van Zuyd is ‘professionals ontwikkelen zich met Zuyd’! Blijft dit alleen bij kennis en vaardigheden? Hoort het niet verder te gaan dan instrumentele professionalisering? Moeten we niet meer gaan praten over onze drijfveren en over gevoelde verantwoordelijkheid als professional? Zowel voor de professie van docent als voor de professie waar we de studenten voor opleiden?
Mensenlijke interactie is toch bepalend voor de kwaliteit van het onderwijs?
Wat beweegt een ieder? dat is toch de kernvraag …
In het manifest worden uitgangspunten en theoretische kaders beschreven die voor iedere docent (in opleiding) zeer de moeite waard zijn om te lezen. Tip voor MLI! Zie meer over dit thema op de weblog Het goede leren.
Over dit thema organiseert het lectoraat, samen met Fontys en Hogeschool Windesheim, op donderdag 2 april 2014 de conferentie ‘Onderwijs dat deugt. Normatieve professionalisering en morele vorming in het onderwijs.’
Leren, echt leren, vergt passie, de passie om het voor jezelf te ontdekken. Dat vereist vrijheid van conditionering, grote nieuwsgierigheid, intensiteit en directe waarneming en uiteraard de bereidheid ervaring op te doen
(Jan Bommerez)
Fijne zondag!
Judith
Afbeeldingen komen uit het manifest ‘Leraren en het goede leren. Normatieve professionalisering in het onderwijs’ (p.16 en p.28), te downloaden via
Goed bezig! De kracht van complimenteren.
Hi Marcel,
Complimentjes geven is belangrijk. En jij geeft ze gul. Goed van je!
Is het geven van complimentjes wel zo simpel?
Tijdens mijn studie is het elkaar feedback geven erg belangrijk. Volgens mij hoort bij feedback geven ook complimenteren. Volgens het feedback onderzoek van Hattie & Timperley is het prijzen van studenten (lof, beloning, badges) het minst van invloed op hun prestaties. In een eerder blog heb ik hierover al eens mijn twijfels geuit. Want toch vinden we een ‘like’ op Facebook fijn en zijn badges in games ook leuk.
Maar wat is nou een goed en effectief compliment? Op het blog van OAB Dekkers las ik de voordelen van het geven van complimenten vanuit het gedachtegoed van oplossingsgericht werken (Cauffman & van Dijk, 2014):
- Je toont dat je aandacht hebt voor wat de ander goed doet.
- Je bouwt aan een coöperatieve werkrelatie.
- Je verstevigt het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van de ander.
- Je helpt de ander met de neus in de richting van mogelijke oplossingen te gaan staan (in plaats van de neus in problemen te blijven steken).
- Je creëert een sfeer van vertrouwen en samenwerking, waardoor meer inzet mag worden verwacht om gewenste veranderingen in gang te zetten.
- Je biedt de ander kracht om meer te doen wat werkt.
Dit gunnen we een ander (familie, vriend, medewerker, collega, student) toch allemaal?
Om complimenten te geven die effectief zijn moet het compliment naar iets verwijzen dat echt gebeurd is of wat de ander zelf gedaan heeft. Het compliment moet realistisch zijn (niet overdrijven) en het moet bruikbaar zijn voor de ander zodat hij/zij daar stappen vooruit kan zetten in de richting die hij/zij wilt. En zwijg als je het niet echt meent!
In het onderwijs zijn we zo gewend om te zeggen wat fout is ipv goed. Denk maar aan de rode pennen (of rode wijzigingen in een Word-document *brrr*) of aan wat boven toetsen staat ’30 fout, een 7′ ipv ’70 goed,een 7′ punten. Nee, dat is in de gamewereld wel anders 🙂 Chris Kockelkoren heeft hierover al eens geblogd: de mindsets van Dweck. Onlangs heeft zij weer een mooie TEDtalk gehouden over de kracht van geloven dat je kan verbeteren. En de power van YET. Zij roept docenten op te stoppen met het geven van onvoldoendes, of niet voldaan!
Ik merk het in mijn eigen studie ook. Het geven van onvoldoendes werkt zo demotiverend. Ik voel me dan zo dom. Als je als feedback krijgt ‘bijna goed, nog niet helemaal’, zou dat (in ieder geval voor mij) een stuk fijner zijn.
Carol Dweck benoemt twee vormen van complimenteren: procescomplimenten en eigenschapcomplimenten. Bij complimenten over het proces prijs je de ander voor zijn of haar goede inspanning of effectieve strategie (“Je hebt vast hard gewerkt” of: “Je zult wel een goede aanpak gebruikt hebben.”). Bij eigenschapcomplimenten complimenteer je de ander met een eigenschap, een interne, vastliggende kwaliteit (“Je hebt het goed gedaan, je moet wel erg slim zijn”). Dweck heeft onderzocht dat procescomplimenten effectiever zijn en meer een growth mindset bevorderen (men is meer bereid om uitdagingen aan te gaan) dan complimenten over de eigenschap van iemand. Bij complimenten over eigenschappen zijn we sneller geneigd uitdagingen te vermijden, eigenschappen zijn immers onveranderbaar (fixed mindset). Zie ook onderstaande uitleg.
We zijn vaak niet zo gul met het geven met complimenten omdat we het gevoel hebben dat het overdreven is. Je moet inderdaad zwijgen als je het niet echt meent, maar mensen vinden het zeker fijn om te horen als ze iets goed hebben gedaan. Daar niets over te zeggen kan worden uitgelegd als “het zal wel niet goed zijn, ik hoor nooit iets”. Twijfel en onrust zal een leerproces vrijwel zeker negatief beïnvloeden.
Toch zijn niet alle complimenten effectief. In het eerdergenoemde OAB Dekkers blog werd een onderzoek van Kohn aangehaald: complementen kunnen zelfs schadelijk zijn. Complimenteren voor lage prestaties kan de boodschap geven dat er te weinig van je wordt verwacht, terwijl overcomplimenteren als neerbuigend of beledigend kan overkomen. Ik moest wel even instemmend knikken toen ik de term ‘compliment-verlamming’ las, dat herken ik wel 😉 Ik heb het je volgens mij ook wel eens gezegd. Ik heb vaker tijdens mijn studie te horen gekregen dat ik dit toch ‘gemakkelijk’ kan … onbewust levert dat een verwachting die je dan vervolgens niet waar kunt maken, met faalangst als resultaat.
Tja, het lijkt zo gemakkelijk, complimentjes geven. Als ik deze onderzoeken dan weer lees, lijkt het dan toch weer niet zo. Of wordt het moeilijker gemaakt dan dat het is?
Wij zijn goed bezig!
Judith
Onderwijs is mensenwerk
Hi Marcel,
Op Twitter zag ik gistermorgen onderstaand filmpje voorbijkomen op mijn timeline (oa via Pedro en Pierre).
Derek Muller heeft in 2008 zijn proefschrift Designing effective multimedia for physics education geschreven. Sindsdien is hij veel bezig geweest met de vraag of technologie het onderwijs wel zo revolutionair verandert. Het is in de geschiedenis al zo vaak gezegd, maar is dat ook zo?
Dit verhaal sluit aan bij een ander bericht dat ik gistermorgen op mijn Twitter timeline 🙂 zag: Waarom de docent van de toekomst geen robot is (Johannes Visser via De Correspondent). Hebben we wel docenten nodig? Muller zegt van wel omdat leren een sociale activiteit is. En volgens hem hoort de docent geen kennis overdrager te zijn (alleen ziektes kunnen worden overgedragen volgens Peter Teune 🙂 ). Een docent is er om het leerproces te begeleiden, de studenten uit te dagen, te inspireren en vooral zich gehoord en gezien voelen, ‘the caring teacher’.
Nee, het onderwijs verandert niet door technologie, zolang de systemen hetzelfde blijven. De docent brengt technologie wel in zijn klas (uit intrinsieke motivatie, ‘verplicht’ vanuit een veranderende visie op onderwijs, genoodzaakt door de omstandigheden), maar als de lokalen, de roosters, de contacturenverplichting, het meten en weten nog leidend zijn, verandert er niets. In het artikel van De Correspondent wordt ook verwezen naar het inmiddels veel geciteerde boek van Gert Biesta The Beautiful Risk of Education. Onderwijs, zegt Biesta draait om 3 dingen: (1) kwalificatie (het opdoen van kennis en vaardigheden), (2) socialisatie (waarden en normen van een gemeenschap) en (3) subjectwording (persoonlijke vorming tot een zelfstandig, verantwoordelijk en kritisch individu).
Nu worden docenten veelal ingezet om cijfertjes voor management en accreditatiecommissies te genereren, schrijft Visser. We hebben bevlogen docenten nodig. Ook volgens Hattie is het contact tussen docent en student één van de belangrijkste variable voor leereffecten. Nu zijn docenten vaak niet meer dan een trage computer of een slecht functionerende robot. Aan het eind van het artikel bepleit Visser voor meer aandacht in de lerarenopleiding voor de mindset van docenten, zie de mindframes van Hattie.
Er is de laatste tijd beweging in het onderwijs zoals United4Education, het samen leren nav Het Alternatief van Jelmer Evers en René Kneyber die in hun boek afrekenen met de afrekencultuur in het onderwijs en in willen zetten op het ontwikkelen van een kritisch denkvermogen en het leren omgaan met elkaar. Hierover gaan we vast in ons laatste leerarrangement van mijn master nog over hebben.
Judith
Licensed to Create; teachers as designers and changemakers #RSA-video
Ha Marcel,
We hebben al vaker aandacht geschonken aan de mooie RSA-animaties, ze zijn erg bekend van de top-animatie van Sir Ken Robinson – Changing Education Paradigms.
De RSA heeft onlangs 11 denkers over onderwijs gevraagd om te schrijven over leraarschap. Dit heeft geresulteerd in de publicatie Licensed to Create: Ten essays on improving teacher quality. Uiteraard is daar een prachtige animatie van gemaakt
Via Pedro De Bruyckere. Zoals Pedro schrijft: voer voor discussie, zeker ook bij de MLI. Ik vind het een mooie introductie voor LA2 🙂
Groet,
Judith
Waiting for superman. Over leiders, professionals en grenzen #FHKEinspiratie #mli
Dag Marcel,
Woensdag 29 oktober werd door Fontys Hogeschool Kunst en Educatie een colloquium georganiseerd. De lezing werd verzorgd door Marco Snoek en ging over ‘Leiderschap van leraren’. Het was heel fijn dat de lector Anouke Bakx geregeld had dat het ook live gestreamd werd, zodat ik thuis het kon volgen en al twitterend #FHKEinspiratie mijn vragen en opmerkingen kon delen. Fijn dat het ook nog te terug te kijken is via. Het verhaal van Marco, gebaseerd op zijn promotie-onderzoek, pastte goed in het leerarrangement (over innovatie-organisatiestructuur, – cultuur en leiderschap) waar ik nu hard aan bezig ben.
Marco Snoek begon zijn verhaal met een verwijzing naar een film over het Amerikaanse onderwijssysteem: Waiting for Superman met een prachtige filmposter. Staat nu op mijn ‘to-watch’-lijstje 🙂
Snoek schetste aan de hand van mooie powerpointpresentatie de groeiende spanning tussen schoolleiders versus leraren. Want wie is nou superman? Op wie wachten we?
De beelden die we hebben over leiderschap zijn bepalend voor de professionele cultuur van een organisatie. Onze beelden over leiderschap zijn nogal traditioneel, en scholen zijn vrij hiërarchische georganiseerd, er heerst een wij-zij denken. Recentelijk is er wel aandacht voor Flip the system, zoals initiatieven als Het Alternatief van Jelmer Evers en René Kneyber en het ‘samen leren’ (zie mijn blog Friskijkers & Dwarsdenkers).
>Op mijn ‘to-read’-lijstje toegevoegd: Frank Cornelissen, onderzoek naar netwerkorganisaties<
Er is dus roep om professionele ruimte. Als je hebt over het innovatievermogen van het onderwijs dan spelen docenten daarbij een belangrijke rol. Leraren die meer als informele leiders (de opinion leaders van Rogers!) optreden. Maar hoe zorgen we dat de zeggenschap van de professional weer een plek krijgt? We kunnen dat blijkbaar zelf niet regelen, want er ligt hiervoor nu een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer….
Het ministerie van Onderwijs heeft de afgelopen jaren veel meer verantwoordelijkheid bij de scholen gelegd, door allerlei accreditaties wordt wel toezicht (controle) gehouden op de kwaliteit van het syteem. De autonomie van scholen is dus toegenomen (meer regelruimte) maar hierdoor is de autonomie van docenten afgenomen. Nu zijn het de schoolleiders die controleren … Er is sprake van conflicting spheres (Hanson, 1976). De sferen waar schoolleiders dan wel professionals in opereren, kunnen echter niet meer gescheiden worden. Want door de opdelen van taken bevorder je het wij-zij denken. Binnen het onderwijs wordt nog uitgegaan van een individuele verantwoordelijkheid ipv collectief verantwoordelijkheid. Als je dat wil doorbreken, betekent dit een nieuwe identiteit van docenten:
Zijn leraren professionals, is de vraag die Marco Snoek stelde. Hmmm, niet helemaal vond hij.
>toegevoegd aan mijn ‘to-read’-lijstje: Drie logica’s van het professionalisme vlgs Freison (2001)<
Professionele ruimte betekent naast autonomie voor de docenten (vrijheid) ook verantwoordelijkheid om voor de kwaliteitsborging te zorgen en dat te laten zien: geef vertrouwen versus verdiend vertrouwen. Als je dat als beroepsgroep niet voor die kwaliteitsborging zorgt, dan neemt een ander die verantwoordelijkheid over.
Marco Snoek signaleerde ook diverse transferproblemen bij studenten die de MLI volgen. We leren veel maar kunnen we het geleerde ook toepassen in onze organisatie? Wat is de rol van de leidinggevende? Hoe is de werkdruk? Wat zijn verwachtingen? Betrokkenheid? Moet een teacher leader niet gewoon afwachten maar doen: Doen is de beste manier van denken 😉 . Je kunt het leiderschap van docenten opnemen in de organisatiestructuur met bijbehorende schalarisschaal en positionering (dat bevordert wel weer het wij-zij gevoel) of beter: opnemen als onderdeel van de organisatiecultuur. Dan heb je het over gespreid leiderschap: afhankelijk van het vraagstuk neemt iemand de leiding (Josph Kessels spreekt hier veel over, zie mijn blog Management(p)lagen binnen Zuyd). De terechte opmerking van Marco Snoek is natuurlijk: past gespreid leiderschap in jullie/onze organisatiecultuur? Ik weet het niet. Ik denk dat binnen Zuyd die ruimte wel is, maar dan moet je hem wel zelf opeisen. Als teacher leader, als afgestudeerde MLI-student, zegt Snoek, moet je als ‘grenswerker’ pendelen tussen strategische vraagstukken en praktijkvragen van docenten. Precies wat ik nu als I-adviseur ook doe. De vraag blijft, kan ik deze rol beter binnen een faculteit uitoefenen of binnen de centrale dienst zoals dat nu het geval is? Ik denk dat ik die rol in beide organisatieonderdelen zou kunnen uitoefenen, maar ze moeten wel in beide organisatieonderdelen blijven bestaan. De kracht zit voor mij nog steeds in de verbinding en de samenwerking tussen faculteiten en ondersteunende diensten en tussen faculteiten onderling. Dat bloemmodel dat jij ooit getekend hebt, blijft voor mij (k/p)rachtig!
Judith





