Categorie archief: Open Education
Wetenschappelijk artikelen gratis via Sci-Hub (wel illegaal)
Dag Marcel,
Als promovendus ben je natuurlijk hard op zoek naar wetenschappelijke artikelen. Je hebt naast Google Scholar, als Zuyderling de beschikking over DiZ. Maar dan nog zul je niet altijd alle artikelen full text kunnen vinden. De laatste dagen lees ik het ene na het andere bericht over Sci-Hub.
Sci-Hub is een Pirate Bay voor wetenschappelijke artikelen. Ja het is illegaal, maar dat deert de vele wetenschappers en studenten niet, die inmiddels massaal gebruik maken van Sci-Hub (via NRC). De website is in 2011 opgericht door Kazachse onderzoekster Alexandra Elbakyan die het doel heeft om alle wetenschappelijke artikelen die achter betaalmuren staan, gratis beschikbaar te maken. In het kader van de Open Education Week (7 – 11 maart) wilde ik dit initiatief toch delen.
Je snapt dat uitgevers hier niet blij mee zijn. Het bedreigt hun inkomsten. Er zijn al rechtzaken aangespannen. En uiteraard luidde het vonnis dat Sci-Hub onrechtmatig bezig. Maar Alexandra Elbakyan vindt gewoon weer een andere manier om door te gaan. Ondanks dat het illegaal is en een schending van de auteursrecht, het wakkert in ieder geval de discussie over Open Access aan.
Heb je nog een artikel nodig dan kan je via het URL van het artikel, Pubmed Identifier (PMID) of het DOI nummer van de publicatie het artikel wel vinden tussen de inmiddels 49 miljoen wetenschappelijk artikelen. Je krijgt wel wat Russische teksten voorgeschoteld in tussenschermen, maar vul de captcha maar in en je krijgt wat je zoekt.
Dank ook Raymond Snijders voor zijn blog over Sci-Hub
Groet,
Judith
Libraries are important to community education ecosystems
Hallo Marcel,
Vorige week heb ik IP, het vakblad voor informatieprofessionals weer even meegepikt van het aanwinstenrek van Zuyd Bibliotheek. Het laatste nummer van 2015 is een onderwijsspecial, een lezenswaardig nummer. Vooral het artikel van Heino Logtenberg ‘Van docent naar meestergids, van informatieprofessional naar co-creator’ en de bijdrage van Hilde van Wijngaarden ‘Heeft Nederland OER librarians nodig?’ (wat uitgebreider te lezen in Trendrapport Open en online onderwijs). Beide refereren naar de rol van de bibliothecaris / informatieprofessional bij de toenemende ontwikkeling naar open en online onderwijs via de huidige trend blended onderwijs.
Logtenberg focust vooral op het ontzorgen van docenten door instructional designers die docenten onderwijskundig ondersteunen. De informatieprofessionals kunnen docenten ondersteunen door het aanleveren van bronnen. Dat doen de collega’s van Zuyd Bibliotheek natuurlijk al. Ik merk in mijn gesprekken met docenten wel dat het nog niet bij iedereen opkomt om hen daarvoor te vragen. Logtenberg ziet ook een rol voor bibliothecarissen bij het opzetten van een online open educational resources-plein waarin door docenten aangeleverde onderwijsmaterialen (bv kennisclips, video’s die studenten in het werkveld hebben gemaakt) interactief wordt gemaakt en verrijkt met koppelingen naar de bibliotheekcollectie en sociale media als Twitter, Facebook en Whatsapp. Uiteraard dienen bibliothecarissen ook samen met uitgevers te bekijken hoe ze toegang tot hun materialen beter in de leeromgeving kunnen realiseren. In een ander artikel in dit IP-nummer las ik over een mooi initiatief ‘spotify voor juridische literatuur‘ en het ‘all you can read’-model eStudybooks binnen het project Flexibele en persoonlijke leeromgeving van de programmalijnen van SURF voor 2016 ‘Onderwijs op maat’. Een mooi scenario deze verandering van bibliothecaris naar co-creator. Ik ben voor!
Wijngaarden constateert nav de inventarisatie in 2015 dat er in Nederland weinig OER bibliothecarissen zijn, zoals dat in de Verenigde Staten al wel meer gebruikelijk is. Veel meer informatieprofessionals zouden moeten helpen bij zoeken, vinden, ontsluiten en gebruiken van open educational resources. Tenminste als wij de doelstelling van de minister willen halen om in 2025 al het onderwijsmateriaal open te laten delen. Jep! Ook voor!
De rol van de bibliothecaris bij het ontwikkelen van onderwijs is zoooo belangrijk. Dit sluit aan bij de presentatie van Lee Rainie, director of Internet, Science, and Technology research at Pew Research Center (via Pedro De Bruyckere). Zie onderstaande presentatie waarin hij de resultaten van het onderzoek Libraries at the crossroads presenteert.
new survey findings about how people use libraries, the kinds of services and programs people would like from libraries, and how libraries are connected to communication education and learning environments
Hoewel dit onderzoek en de cijfers over Amerikaanse Public Libraries gaat, zie ik (of wens ik?) overeenkomsten met de rol die onze bibliotheek en haar informatieprofessionals volgens mij dienen te vervullen in de door mij gewenste learning design teams.
Groet,
Judith
Kansen voor inbedding open en online onderwijs in campusonderwijs
Op het MOOCZI-blog heb ik een inhoudelijk bericht geplaatst over het Trendrapport open en online onderwijs 2015, die tijdens Dé Onderwijsdagen is gepresenteerd. Mijn bijdrage aan dit rapport wil ik op ons blog integraal [CC-BY] 🙂 overnemen. Vooral ook omdat het praktijkvoorbeeld van Zuyd in dit artikel van jouw hand komt. Helaas zijn deze credits niet opgenomen in het artikel. Bij deze! Het artikel is vooral gebaseerd op mijn/onze ervaringen tijdens het MOOCZI-project van Zuyd Innoveert waarin de Faculteit ICT meer inzicht probeerde te krijgen in open en online onderwijs voor (aankomende) bachelor studenten en deeltijdopleidingen. Ervaringen die ook weer meegenomen kunnen worden bij Zuyd Academy.
Groet, Judith
Onderstaand artikel is inclusief refernties is ook te downloaden als pdf.
KANSEN VOOR INBEDDING OPEN EN ONLINE ONDERWIJS IN CAMPUSONDERWIJS
door Martijn Ouwehand en Judith van Hooijdonk
Hoewel OER al bijna vijftien jaar geleden door MIT werden geïntroduceerd, was de opkomst van MOOC’s sinds 2012 pas echt een katalysator voor open en online onderwijs. En na de eerste aankondigingen van universiteiten en hogescholen om zich aan te sluiten bij de grote MOOC-platforms dan wel om MOOC’s aan te bieden, gaf de stimuleringsregeling Open en online onderwijs in 2014 het thema verdere versterking. Niet minder dan 45 projecten zijn ingediend, waarvan er 11 door het ministerie van OCW zijn gehonoreerd.
Hoewel we anno 2015 ontdekken dat MOOC’s op zichzelf niet de belofte inlossen om het onderwijs grondig te veranderen (Watters, 2015), is er wel een flinke beweging op gang gekomen op het gebied van online onderwijs, ook in Nederland. Onder andere dankzij het veelvuldig gebruik van video’s in de vorm van (korte) kennisclips en weblectures, zijn MOOC’s inspirerend voor de vele concepten van blended learning en ‘geflipte klaslokalen’. Maar wat beweegt het hoger onderwijs op het gebied van open en online onderwijs? En zijn er trends te signaleren? We verkennen dit vanuit onze eigen hbo- en wo-praktijk.
Zelf ontwikkelen versus hergebruiken
Allereerst constateren we twee verschillende invalshoeken als het gaat over open en online onderwijs, namelijk ‘zelf ontwikkelen’ versus ‘hergebruiken’. MOOC’s die in korte tijd wereldwijd grote aantallen lerenden aantrokken (of op zijn minst geïnteresseerden in het aangeboden onderwerp) spreken tot de verbeelding. Zelf onderwijs(materiaal) ontwikkelen en dit aanbieden aan anderen is dan ook een voor de hand liggende keuze. De toegankelijkheid van open en online onderwijs past bij de missie van vele hogeronderwijsinstellingen: te voorzien in een opleidingsbehoefte om (meer) mensen op te leiden tot professional. De wereldwijde uitstraling van MOOC’s stelt hogeronderwijsinstellingen in staat zich sterker te profileren en de reputatie stevig te versterken. Zelf ontwikkelen hoeft echter niet de enige optie te zijn om de mogelijkheden van open en online onderwijs te benutten.
Wanneer we het wereldwijd steeds verder toenemende aanbod van open gelicentieerd onderwijsmateriaal en MOOC’s in ogenschouw nemen, zou je je ook kunnen afvragen waarom deze niet vaker hergebruikt worden. Welke kansen biedt bestaand onderwijsmateriaal voor het campusonderwijs? Wanneer toonaangevende instellingen (online) onderwijs op topniveau aanbieden, moet een onderwijsinstelling voor ditzelfde onderwerp dan weer een vak ontwikkelen of kan het bestaande aanbod worden hergebruikt? Wellicht kunnen we dankzij de beschikbaarheid en toegankelijkheid van open en online onderwijs juist de beste docenten van de wereld tegen lage kosten in de eigen instelling uitnodigen. Van Damme (2015) is zelfs van mening dat de belofte van MOOC’s om het onderwijs grondig te veranderen alleen kan worden ingelost wanneer (open) onderwijs(materiaal) sterker geïntegreerd wordt in het campusonderwijs.
Trends in het Nederlandse hoger onderwijs
Wanneer we de elf gehonoreerde projecten van de stimuleringsregeling bekijken, focussen de meeste niet op hergebruik van bestaand materiaal van anderen. Het merendeel begint met het zelf ontwikkelen en aanbieden van MOOC’s of van blendedlearning-cursussen voor specifieke doelgroepen, die ook open worden gesteld voor andere deelnemers. In sommige gevallen wordt OER ontwikkeld.
Naast het grotere bereik en de profilering van de eigen instelling door middel van open en online onderwijs, is een andere drijfveer van de instellingen de kwaliteitsverhoging van het (campus)onderwijs. De projecten lijken vooral te focussen op het efficiënt benutten van de tijd en energie die in de ontwikkeling van open en online onderwijsmateriaal gaat zitten. Een trend die we wereldwijd vaker zien, bijvoorbeeld bij Duke University (Manturuk & Ruiz-Esparza, 2015). Vanuit het eigen aanbod worden online varianten ontwikkeld die bijdragen aan de zichtbaarheid van de instelling in een (inter)nationale context, maar die tevens een rol spelen bij kwaliteitsverhoging binnen de eigen instelling.
Dat deze doelen gelijk opgaan, is niet onlogisch. De ontwikkeling van open onderwijs (met name MOOC’s en open videolectures) vraagt immers een behoorlijke financiële en tijdsinvestering, waardoor de behoefte ontstaat het onderwijsmateriaal op meer manieren te kunnen gebruiken (Stansbury, 2015). Zo wordt open onderwijsmateriaal, in eerste instantie ontwikkeld voor nieuwe doelgroepen, ook vaker ingezet in het eigen campusonderwijs. Bij de Universiteit van Amsterdam wordt het campusonderwijs steeds meer ‘geflipt’ vormgegeven dankzij de inzet van zelf geproduceerde MOOCvideo’s. De ontwikkeling van MOOC’s leidt daar onder andere tot kwalitatief hoogwaardige video’s, die kennisoverdracht (aangevuld met responsiecolleges) binnen het onderwijs tot op zekere hoogte kunnen vervangen (Zand Scholten & Van Hees, 2014). Ook binnen de Technische Universiteit Delft zien we deze trend sterk terug. De ontwikkeling van open en online onderwijs leidt ertoe dat het course design van het campusonderwijs vaak ook aangepast wordt, bijvoorbeeld volgens het ‘flipping the classroom’-principe (Ouwehand & Jacobi, 2014).
Hoewel open en online onderwijs dus wel in het campusonderwijs wordt ingezet, is er weinig sprake van hergebruik van elders ontwikkeld materiaal. Dit wil niet zeggen dat deze benadering helemaal niet voorkomt binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Zo beschreven we in het trendrapport Open Education 2014 (SURF, 2014) het voorbeeld van de Universiteit Leiden, waar een MOOC van Van der Bilt University werd ingezet in het campusonderwijs voor honours-studenten. Ook binnen het hbo zijn gelijksoortige ervaringen te delen. Bij Fontys Hogeschool ICT worden bij enkele minoren in het reguliere programma MOOC’s van Udacity ingezet. In bovenstaande voorbeelden betreft het docenten die MOOC’s inzetten in het campusonderwijs. Een andere vorm van hergebruik ontstaat als een student het initiatief neemt tot het volgen van MOOC’s. Bij Zuyd Hogeschool heeft een student een viertal MOOC’s van de University of San Diego gevolgd in de flexibele onderwijsruimte waarvan elke student gebruik kan maken (zie kader), iets wat in het buitenland ook voorkomt. Zo gaf Friedman (2013) al eerder aan dat de Harvard Business School geen inleiding Accounting meer verzorgt, omdat studenten dit vak inmiddels bij Brigham Young University online volgen.
Daarnaast zien we dat men wel open staat voor hergebruik door anderen van het door henzelf ontwikkeld open en online onderwijs(materiaal). In sommige gevallen wordt het zelfs aangemoedigd. De Technische Universiteit Delft biedt bijvoorbeeld al het onderwijsmateriaal van haar MOOC’s aan onder een Creative Commons-licentie en publiceert deze op haar OpenCourseWare-website. En Annemarie Zand Scholten van de Universiteit van Amsterdam zegt over de inzet van zelf geproduceerde MOOC-video’s: “De video’s zijn vrij te gebruiken onder Creative Commons. (…) Ik juich hergebruik binnen en buiten onze universiteit alleen maar toe” (Van Trigt, 2014, p.8). Maar ook al staat men open voor hergebruik van ontwikkeld materiaal, velen vinden het open publiceren op het internet een grote stap. Zo bouwt de Haagse Hogeschool aan een OER-repository om onderwijsmateriaal in eerste instantie binnen de eigen instelling beschikbaar te stellen. Vanuit SURF is onlangs zelfs een inventarisatie uitgevoerd naar een geschikt platform voor het delen van onderwijsmateriaal op basis van eisen en wensen van vijf hogeronderwijsinstellingen (Schuwer, 2015A).
Hoe komt het dan toch dat hergebruik van bestaand onderwijsmateriaal minder voorkomt? Welke belemmeringen voor hergebruik kunnen we identificeren?
Belemmeringen en barrières
• ‘Not invented here’
Een voor de hand liggende reden waarom hergebruik van materiaal binnen de eigen instelling weinig aantrekkingskracht lijkt te hebben, zou kunnen zitten in de kansen voor profilering en de eigen reputatie. Om de eigen concurrentiepositie te vergroten, is het uiteraard interessanter om je als instelling aantrekkelijk te presenteren vanuit de eigen aandachtsgebieden en speerpunten. Erkenning van onderwijs(materiaal) dat is verbonden aan de reputatie van andere instellingen draagt vanuit dit perspectief niet bij aan de eigen profilering. Waarschijnlijk heeft het ‘not invented here’-syndroom niet alleen op docentniveau, maar ook op instellingsniveau grote invloed.
• Noodzaak en kosten
Daarnaast kan het zo zijn dat in het Nederlandse hoger onderwijs weinig aanleiding of noodzaak bestaat om onderwijsmateriaal van andere instellingen in te zetten. In de VS zien we bijvoorbeeld meer grootschalige projecten, zoals rondom open textbooks (Tidewater Community college, BCcampus, of zeer recent de University of Maryland). Deze ontwikkeling is een gevolg van de hoge kostprijs van commerciële boeken in de VS. Als gevolg hiervan moet men langere tijd met het beschikbare onderwijsmateriaal doen, wat consequenties heeft voor de kwaliteit van het onderwijs. OER bieden meer flexibiliteit en tenminste gelijke kwaliteit tegen lagere kosten en zijn dan een goed alternatief. De vraag is in hoeverre de afschaffing van de basisbeurs in Nederland tot dezelfde ontwikkelingen gaat leiden als in de VS.
Ook kunnen we ons afvragen of het nog wel zo efficiënt is om basisvakken, die binnen meerdere instellingen en wellicht een heel vakgebied worden gegeven, steeds opnieuw te ontwikkelen. In de evaluatiebijeenkomst van twaalf strategieworkshops open en online onderwijs die in 2013 en 2014 plaatsvonden, waren enkele aanwezigen voorstander van het gezamenlijk en instellingsoverstijgend ontwikkelen van open onderwijsmaterialen en cursussen. Daarbij bleek dat succesverhalen zich eerder binnen vakgebieden en studierichtingen voordoen dan binnen instellingen. Wellicht is daarom instellingsoverstijgend samenwerken binnen een vakgebied een betere aanpak om open en online onderwijs te bevorderen. Denk aan het gezamenlijk ontwikkelen van open en online onderwijs op deficiëntievakken.
Andere barrières voor hergebruik van (open) onderwijs(materiaal) kunnen zijn (Jisc, 2015; Schuwer, 2015B):
• Onbekendheid met beschikbaar materiaal
Het aanbod aan open en online onderwijs(materiaal) blijft toenemen, maar een goed overzicht van de onderwerpen en onderwijsmaterialen blijft moeilijk. Daar komt bij dat de open component nog zeker geen gemeengoed is. OER heeft (in Nederland) een veel lagere naamsbekendheid dan MOOC’s. En het onderwijsmateriaal dat in MOOC’s wordt aangeboden, is slechts beperkt beschikbaar onder een open licentie. Dit bemoeilijkt de mogelijkheden tot hergebruik en maakt het vanuit juridisch oogpunt ingewikkelder. De complexiteit rondom wat wel en niet is toegestaan, maakt het er niet makkelijker op.
• Kwaliteit
Ook de kwaliteit van het aangeboden onderwijs(materiaal) kan sterk variëren. Dat maakt het voor de individuele docent moeilijk om de kwaliteit te beoordelen. De combinatie met de vindbaarheid en onbekendheid binnen het aanbod verkleint de kansen op hergebruik.
• Zoektijd
Uiteindelijk kost de zoektocht naar passend en kwalitatief voldoende onderwijs(materiaal) ook tijd. De vraag doet zich voor of de benodigde tijd voor het zoeken en beoordelen van onderwijsmateriaal opweegt tegen het zelf ontwikkelen ervan. Recent heeft SURF (2015) opdracht gegeven tot een landelijke verkenning naar in hoeverre de bibliotheken een rol spelen bij open en online onderwijs. De van oudsher bekende expertisegebieden van bibliotheken (informatievaardigheden, auteursrecht, ontsluiten en opslaan content, kennis delen) worden steeds relevanter. In samenwerking met het onderwijs zouden bibliotheken open en online onderwijs verder kunnen helpen en hergebruik van onderwijsmaterialen stimuleren.
• Bruikbaarheid binnen de eigen context
Buiten het ‘not invented here’-syndroom is ook de context waarbinnen het onderwijs(materiaal) wordt hergebruikt van belang. Onderwijsmateriaal wordt binnen een bepaalde context met een bepaald doel ontwikkeld. Dat doel is doorgaans zo specifiek dat het de bruikbaarheid ervan voor anderen negatief beïnvloedt. Anderzijds zorgt geschikt maken van onderwijsmateriaal voor hergebruik ervoor dat de effectiviteit ervan voor de eigen context daalt (Wiley, 2015).
Naast deze operationele hindernissen zijn er ook vraagstukken op beleidsniveau die adoptie van open online onderwijs in de weg staan. In de strategische workshops werden het gebrek aan visie op open onderwijs, accreditatievraagstukken ten gevolge van het inzetten van MOOC’s en een onduidelijk verdienmodel als hindernissen benoemd (Janssen et al., 2014). Ook wettelijke bepalingen zoals verplichte contacturen en het vestingsplaatsbeginsel beperken het inzetten van MOOC’s in het campusonderwijs en hebben consequenties voor de verdere ontwikkeling van open en online onderwijs.
Ontzorgen docent
De lijst met mogelijke barrières voor hergebruik lijkt lang, maar is zeker niet onoverkomelijk. Volgens Christien Bok, programmamanager Onderwijs op maat bij SURFnet, ligt de sleutel voornamelijk hier: “Heel veel tijd voor en heel veel support voor docenten, dat lijken de belangrijkste ingrediënten om online onderwijs in het campusonderwijs te integreren in een succesvol blended concept” (Bok, 2015).
En wellicht ligt de voornaamste oplossing wel in een cultuuromslag. Openheid is, boven de praktische mogelijkheden, toch vooral een mindset, waarin delen centraal staat. En daar is een cultuurverandering voor nodig.
Kansen voor de toekomst
Gelukkig zijn er ook argumenten te formuleren om wel met OER aan de slag te gaan. Schuwer (2015B) benoemt in zijn lectorale rede naast de in dit artikel al genoemde kostenmotieven en profilering ook een moreel argument: onderwijsmateriaal betaald met publiek geld moet publiek beschikbaar zijn. Daarnaast beargumenteert hij dat open publiceren een duidelijker beeld geeft over wat er aanwezig is bij een opleiding of faculteit en dat studenten zo een betere indruk van inhoud en kwaliteit van de studie krijgen.
We moeten in het oog houden dat hergebruik geen kwestie is van ‘plug & play’. Onderwijs(materiaal) kan niet zomaar worden ‘ingeplugd’ zodat het automatisch aansluit bij de context van de gebruiker. Uiteindelijk betekent hergebruik van onderwijsmateriaalvan anderen dat het gehele onderwijsontwerp moet worden aangepast (Sloep, 2014). Bovendien zijn veel OER en MOOC’s Engelstalig. Gelukkig blijkt uit een kleinschalig studentenonderzoek van het lectoraat Open Educational Resources bij Fontys Hogeschool ICT dat dat geen grote hindernis voor studenten is (Groenemeijer et al., 2015).
Uit de strategieworkshops bleek ook dat hbo-instellingen vrezen hun regionale identiteit te verliezen wanneer de ontwikkelingen naar globalisering door open en online onderwijs doorzetten. Desondanks denken wij dat de vele levenlangleren-trajecten die in het hbo van start gaan, kansen bieden voor de toekomst van open en online onderwijs. Daarin wordt onderwijs blended ontwikkeld samen met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Bespiegelingen
Hergebruik van onderwijsmateriaal lijkt nog geen grootschalige trend binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Waar het zelf ontwikkelen van open en online onderwijs voornamelijk past bij het profileren van richtingen waarin je uniek bent, liggen er ondanks de barrières wellicht wel grote kansen in hergebruik. Kwalitatief hoogwaardig onderwijs wordt steeds toegankelijker. Onze studenten zien het kwalitatief hoogwaardige onderwijsaanbod en we kunnen hen niet kwalijk nemen dat ze hier kieskeuriger door worden. De uitspraak van Thomas Friedman (Friedman, 2013) is alom bekend: “When outstanding becomes so easily available, average is over.” We zouden ons misschien moeten afvragen of bijvoorbeeld basisvakken nog wel zelf ontwikkeld moeten worden, of dat er mogelijkheden liggen in het hergebruik of erkenning van kwalitatief hoogwaardige basisvakken. Het blijft uitdagend om deze vraag hardop te stellen, en wellicht is het in de fase waarin het Nederlandse hoger onderwijs zich nu bevindt nog een ver-van-mijn-bedshow. Toch gaan de ontwikkelingen op wereldwijde schaal soms sneller dan we denken. En als we ons de vraag over hergebruik niet nu al stellen, zijn we op de langere termijn waarschijnlijk niet goed voorbereid op wat gaat komen. In elk geval bieden de ambities van minister Bussemaker (Ministerie van OCW, 2015) om in 2025 al het onderwijsmateriaal onder een open licentie te delen en te laten uitwisselen alvast aanknopingspunten. Tevens willen we instellingen oproepen om elkaars MOOC’s te erkennen. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet om hergebruik mogelijk te maken, maar we zijn er nog niet.
Ik flip. Jij flipt. Wij zijn geflipt.
Hallo Marcel,
Deze week het artikel in Trouw gelezen over de moderne docent die zijn lesmateriaal gewoon zelf fixt? Het gaat in dit geval om zelf filmpjes maken en je les te flippen (kennisoverdracht vindt plaats via video die studenten thuis bekijken als voorbereiding zodat in de klas samen actief kan worden geleerd). Ik ben een groot fan van die You Tube docenten die prachtige instructievideo’s maken en deze dan ook online delen. En zoals docent Arnoud Kuijpers in het artikel wordt geciteerd “delen maakt het onderwijs leuker en beter” ben ik het helemaal mee eens 🙂
Echter, zowel het maken van (flipped) video’s en deze vervolgens online open delen is binnen onderwijsland, in ieder geval niet bij onze onderwijsinstelling, gemeengoed. Er is zeker veel belangstelling bij onze docenten om zelf video’s te maken, gezien de grote belangstelling voor Pieter’s workshop ‘Weblectures en video in een flipped classroom’. Het maken van goed video instructiemateriaal kost tijd, dat hebben we tijdens ons MOOCZI-project ook ervaren. Volgens Kuijpers kost één minuut film ongeveer anderhalf uur fröbelen, en dan is hij een expert. Er zijn weinig docenten die deze tijd kunnen en willen investeren. En uit onze enquête onder studenten is gebleken dat studenten vooral professionele kennisclips waarderen:
Een nadeel dat ik wel heb ervaren is dat video’s vaak onduidelijk zijn, deze worden zelf gemaakt door docenten. Nadelen zoals bijvoorbeeld: langdradigheid, eentonigheid, lastige en onduidelijke voorbeelden. Niet iedereen is in staat om dit materiaal duidelijk te creëren.
Tsja, door je klas te flippen ben je nog geen moderne docent. En als alles geflipt wordt, staat onze onderwijswereld ook op z’n kop. In mijn ogen hoeft een moderne niet zelf al zijn lesmateriaal te maken, en dat lesmateriaal hoeft echt niet alleen maar video te zijn. (Interactieve) boeken hebben ook hun waarde 🙂 . Frans Droog publiceerde onlangs op zijn blog 6 mythes over flipping the classroom. Flipping gebeurt volgens hem nog veel te vaak vanuit een technologische visie. We moeten ons realiseren dat het om een pedagogisch middel gaat om actief leren in de klas te vergroten om op zo’n manier inzicht en kritisch denken te bevorderen. Het gaat om het leren van de student die centraal moet komen te staan, niet de kennisoverdracht van de docent.
Wat is een moderne docent? Volgens mij is dat een motiverende betrokken docent die weet hoe hij ict (en niet alleen video) ook didactisch kan inzetten. We leven en leren in een samenleving waarin de verandering centraal staat en zekerheden er niet meer zijn. De open cultuur en de snelheid waarmee deze (technologische) veranderingen plaatsvinden, vraagt om een nieuwe toolset, mindset en skillset. Ik kom dan toch weer uit bij mijn stokpaardje: ‘social learning‘. Marcel de Leeuwe en Wilfred Rubens omschrijven in hun recente publicatie Social learning en leren met sociale media dit als
samenwerkend leren met behulp van sociale media, waarbij de lerende veel controle heeft over wat, hoe, waar en waarmee er geleerd wordt
Participatie in onze samenleving met haar ict en sociale media vraagt om in een bepaalde mate van openheid om relaties op te bouwen, om vrijelijke kennis en ervaringen te delen, om een proactieve houding en het benutten van je netwerk. Dat is wat wij onze studenten zouden moeten leren en meegeven. Dan moeten wij (docenten) dit ook voor-leren, vind ik. Of ben ik ‘social learning‘-blind aan het worden?
Groet,
Judith
En ook het belang van open onderzoek
Hallo Marcel,
Gisteren blogde ik (niet voor de eerste keer) over het belang van open online onderwijs. Over open onderzoek heb ik ook al eens eerder wat geschreven. Vanmorgen kwam een artikel voorbij van Matteo Cantiello over Public-Friendly Open Science (In zijn manifest over de moderne wetenschapper verwijst hij trouwens naar een geweldige illustratie van een PhD-er als boundary crosser 🙂 )
Volgens Cantiello zouden onderzoekers meer tijd moeten besteden aan het communiceren over hun onderzoek, buiten hun eigen wetenschappelijke wereldje. Ze zouden hun data en resultaten op verschillende manieren moeten delen met een groter publiek. Onze wereld is zoveel complexer geworden. We moeten, ook buiten je eigen vakdisciplime, meer van elkaar leren (boudary crossing), zegt Cantiello
Ik ben het met hem eens. Daarom ga ik na de zomervakantie weer met vernieuwde energie de noodzaak van publicatiebeleid voor Zuyd aankaarten. Uiteraard met aandacht voor open onderzoek en open acces. Ik vind het belangrijk genoeg.
Judith







